Archiefstukken komen uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, inventarisnummer 0186. Onderstaande komt uit invoernummer 68 (brief van Middelburg) en 355 (brief aan Middelburg).

Na vier jaar gedoe over proefkolonist Koppejan die dan wel, dan niet naar huis terug wil, krijgt de subcommissie Middelburg bij een volgende kolonist dezelfde ellende. De opstelling is identiek: kolonist wil naar huis, subcommissie legt zich er met moeite bij neer, maar de Maatschappij lijkt beledigd dat iemand het thuis beter denkt te hebben!


hartelijk verlangt om weder huiswaards te keeren


Uit een brief van de subcommissie Middelburg aan de pc dd 21 januari 1824:

       De persoon van Willem Pieter le Lazoe, voormalig inwonder van de gemeen­te Serooskerke in Walcheren, heeft aan onzen thesaurier gezonden den brief, welken wij de eer hebben in originali hiernevens te voegen.

         Deze brief schijnt door een ander geschreven te wezen, en bevat zoo het ons voorkomt uitdrukkingen, welke voor de eer der Maatschappij ten hoogste beledigend zijn, zoodat het welligt niet onbelangrijk zal wezen, naar den persoon des schrijvers behoorlijk onderzoek te doen.

          Intusschen moeten wij uit dezen brief toch afleiden, dat de kolonist zelve zich in de verwachting, welke hij wegens zijne verdiensten in de kolonie had opgevat, aanmerkelijk ziet te leur gesteld, en dat hij zelfs hartelijk verlangt om weder huiswaards te keeren: en wij vinden daarom geene vrijheid, om ons te onttrekken aan zijn verzoek, om tot het bekomen van zijn ontslag, onze voorspraak te erlangen; terwijl wij echter niet kunnen ontveinzen dat zijn terugkomst alhier ongetwijf­feld van nadeeligen invloed op de bijdragen van de dorpsgemeenten wezen zal, en dat dus het belang der Maatschappij onzes inziens beter zoude worden bevorderd, wanneer aan de bezwaren van voornoemden kolonist, in zoo verre konden worden tegemoet gekomen, dat hij niet alleen van zijnen wensch om herwaards te keeren geheel konde afzien, maar zich ook van de mededeeling zijner klagten aan anderen konde onthouden.


De pc zendt deze brief door naar de kolonie, waar directeur Wouter Visser met betrokkenen praat en een reactie ontwerpt, wat leidt tot deze brief van de pc aan Middelburg dd 14 februari 1824:

      Hiernevens aan UWEd. onder dankzegging terugzendende den bij UWEd. geeerde van 21 january ll. ingezonden brief van den kolonist Laroe hebben wij de eer na ingewonnen berigten omtrent den schrijver dezes briefs en deszelfs inhoud, UWEd. nader deswege te antwoorden.

     Uit het hiernevens gevoegd extrakt van het schuldboekje van Laroe en van die van andere in dezelfde wijk wonende kolonisten welke met hunnen toestand zeer te vreeden zijn, zal het UWEd. al dadelijk blijken in hoe verre de klagten over te weinige verdiensten en de inhoudingen daarvan, door Laroe gemaakt, ongegrond zijn: waarbij wij UWEd. verzoeken, ter verdere ophelde­ring in aanmerking te neemen
:
      1o Dat Laroe slechts een middelmatig werkman zijnde, echter door zijn langer verblijf in de koloniën voor den arbeid meerdere vatbaarheid zal verkrijgen, en hij daardoor zijne verdiensten tot de hoogte van die van oudere kolonisten zal kunnen brengen.

     2o Dat ook de verdienste van spin- en andere arbeid van de overige leden zijns huisgezins zullen toenemen, naarmate deze daarin geoefend worden.

     3o Dat behalve de verdiensten van het huisgezin, door hetzelve worden genoten de aardappelen, en andere groenten uit hunne tuin.

     4o En dat, eindelijk, het huisgezin van Laroe bovendien in volgende jaren de volle opbrengst zal genieten zijner hoeve, waarvan het zelve door zijne late aankomst in het gepasseer­de jaar, slechts een gering gedeelte heeft genoten
.
   (...)
   Wij meenen overigens zeker te zijn, dat de klagten van Laroe hoofdzakelijk voortgesproten zijn uit de ongewoondheid van zijne tegenwoor­dige stad, en te weinig doorzigt in den aard zijner betrekking in de koloniën; terwijl wij vertrouwen dat hij thans reeds meer te vreden is, en zijn ontslag van daar niet meer verlangt..