Archiefstukken komen uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186. Onderstaande brief van dokkum komt uit inv.nr 67. Als er een cursief vraagteken tussen haakjes staat, was het echt onleesbaar.



Ik zie en erken het betere, maar volg het slechtere


De inrichting van de Ommerschans tot eerst strafkolonie voor gewone kolonisten en daarna bedelaarskolonie wordt in De proefkolonie beschreven op de bladzijden 154, 177, 195, 206, 242, 265-266, 307, 315, 332, 339-340. Als eind 1822 en heel 1823 bedelaars toestromen, krijgt het bekendheid als laatste toevluchtsoord voor geheel aan lager wal geraakte mensen en in dat kader wendt de subcommissie van weldadigheid Dokkum zich op 14 november 1823 tot de Maatschappij :


De subkommissie alhier is verzocht, door den Heer B: van Steenwijk rentmeester dezer stad, bij UWEd. Gestrenge de voordragt te doen, dat zijn broeder, op de conditien daarvan zijnde, geplaatst mag worden in de de Ommerschans.

Het is noodig UwEd. Gestr. bekend te maken met dat sujet. Zijn naam is Douwe Petrus van Steenwijk, geboren den 25 january 1784, bij gevolg thans 39 jaren. Hij is door den milden Schepper begunstig, met de edelste vermogens, in dit opzigt munt hij uit boven 100den, ja 1000den. Aan zijne opvoeding en vorming zijn geene kosten gespaard. Hij heeft hier de triviale scholen met roem doorgeloopen, te Groningen studeerde hij eerst, naar behooren in de voorbereidende wetenschappen, vervolgens in de Godsgeleerdheid, elk was voldaan over zijne vorderingen, prees, bewonderde die; hij begon reeds als student proeven te geven van zijne bekwaamheden voor den kansel; dan eensklaps verandert hij van studie, valt op de medicijnen, maakt ook goede vorderingen.

Doch helaas! Hier blijft hij staan op zijne loopbaan, gaat aan het lichtmissen, ninkelrooien (?), geeft zich meer en meer toe in een allerliederlijkst gedrag; wat men ook deed om hem te stuiten, te rug te brengen, alles is vruchteloos. Hij wordt soldaat, deserteert, maakt schulden, door de familie, hoe wel met tegenzin voldaan, raakt gevangen, meer dan eens heeft men hem, op hoop van beterschap gered, door voorspraak de vrijheid bezorgd, gekleed, van alles voorzien; maar spoedig bleek het, dat hij dezelve gebleven, of liever verergerd was.

In 1821 zat hij te Leeuwarden in de militaire provoost, ik ging met Dom. Eppen, pred. aldaar, die plaats voorbij, het gesprek viel over Douwe P. van Steenwijk; dom. Eppen bezocht hem soms, prees zijn gedrag in die treurige gevangenis zeer, hij las schreef, studeerde, onderwees andere gevangenen, en stichte daar veel nuts.

Nog wilde de familie eene laatste proef nemen; hij was eigenlijk tot dwang arbeid veroordeeld, dan om eene en andere reden wordt zijne straf verligt, hij in vrijheid gesteld, om als land medicus, chirurgijn en vroedmeester te practiseren.
Door behulp van geleende boeken had hij zich in die vakken in de gevangenis verder geoefend; doch naauwlijks is hij zijn eigen man, of hij handelt weer naar het principe, dat de menschkundige Ovidius Medea in den mond legt,

          video meliora, proboque
         detoriora sequor

(vertaling: ik zie het betere, en erken het, maar volg het slechtere)

Het is weer het het oude ellendige doorslechte leven. Nu wordt hij te Leeuwarden geplaatst in een huis van correctie, daar is thans zijn tijd met weinige weken geŽxpireerd. De Heer Eekma, officier van justitie en de raadsheer Tromp hebben den bovengemelden broeder van den patient geraden, hem in de Ommerschans te plaatsen. Mist hij zijne vrijheid dan is hij doorgaansch handelbaar, en zou misschien met zijne groote talenten in die strafcolonie, door het geven van onderwijs, van uitgebreid nut kunnen wezen.

Zijne broeder onderwerpt zich gaarne aan de conditien daar van zijnde mij medegedeeld in UwelEdGestrenge missive van den 16 oct. 1821 no. 36/10 gesanctioneerd door Z.M. de 28 aug. no. 79 ejusdem anni
(vertaling: van hetzelfde jaar).
Hij zal de noodige gelden bij de regering van Dokkum deponeren, en H.Ed.Acht. zullen de rigtige betaling van 40 gld. gedurende 16 jaren garanderen.
Zoodra wij een instemmend antwoord ontvangen hebben, zal hij naar het voorschrift, tot Frederiksoord worden opgezonden.

Kort daarop, 30 december 1823, wordt het contract gesloten en op 14 januari 1824 komt Douwe Petrus aan in de Ommerschans (een plaatje uit het designatieregister, invnr 1395):




Bij zijn inschrijving wordt genoteerd dat hij 5 voet plus 7 duim lang is en dat hij blond haar en blauwe ogen heeft. Volgens de klerk die dit signalement opstelt, heeft Douwe een 'lang aangezigt' en een 'idem voorhoofd', is zijn neus 'lang en gebogen', zijn kin 'lang' en is zijn mond 'ingevallen'.

Kort na zijn aankomst zijn er veel zieken op de Ommerschans, waarvan er elke dag wel eentje overlijdt. Er is geen naam voor de ziekte bekend, maar het zou wel eens met het voedsel te maken kunnen hebben: 'de lijders klagen over zware pijnen in den ingewan≠den'.
Als dokter Schuurman (De proefkolonie blz 26, 50, 68, 69, 92, 93, 116, 124, 156, 213, 216, 219, 269, 271, 288, 326, 327) in maart de boel gaat onderzoeken, blijkt Douwe Petrus zich hierbij nuttig te maken:
'Met de kolonist Steenwijk zedert weinige dagen als zieken oppasser fungerende heb ik gesproken, en hem tamelijk bekwaam in het geneeskundig vak bevonden, zo dat ik hem benevens de nog aanwezig zijnde heelmeester de geneeskundige en practische zorg voor de zieken heb aanbevolen, tot zo lang dat binnen korte tijd daar in nader voorzien zal worden.'

Ook de kolonie-directie toont zich positief:
'Voorts heb ik de eer de Permanente Kommissie te berigten dat de zieken te Ommerschans meer en meer beteren en dat de kolonist Douwe Steenwijk; welke als adsistent in de ziekenzaal is geplaatst, met veel vrugt daar bij werkzaam is.'

Later zal Douwe Petrus een officiŽle functie binnen de gezondheidszorg in de kolonie krijgen. Zie daarvoor dit besluit. Hij speelt dan ook een niet onbelangrijke rol in het proefschrift van mevrouw Roelfsema over de gezondheidszorg in de koloniŽn (zie deze externe link).

Het lijkt helemaal goed met hem te komen als hij een bruid vindt. April 1829 trouwt hij, 45 jaar oud,  met de 19-jarige Adriana Brauckman. Zij heeft een tijd met haar familie in de strafkolonie gezeten omdat haar vader er blijkbaar af en toe een ontzettend slecht humeur op na kan houden (dit verhaal komt nog op de site).
Een half jaar na het huwelijk wordt Douwe Petrus aangesteld als assistent-heelmeester te Veen≠huizen III

Er worden twee kinderen uit het huwelijk geboren, maar in april 1833 overlijdt Adriana. Dan gaat het helemaal mis met Douwe Petrus. Hij zet het op een zuipen. En na enkele maanden wordt hij ontslagen omdat hij (Roelfsema blz 27): om aan geld voor drank te komen, alle bezittingen inclusief zijn instrumenten en boeken had verkocht

De volgende keer dat hij in de gestichten komt, 1838, is het als opgepakte bedelaar.

NB: Zie ook de vermeldingen van Douwe Petris in De bedelaarskolonie.