Archiefstukken komen uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186. Onderstaande komt uit invoernummer 62.


de jubeldichter uit Opperdoes


'Het is onmogelijk welke zonderlinge snaken men ons toezend', verzucht Johannes van den Bosch op bladzijde 325 van het boek. Diverse subcommissies en notabelen bekreunen zich niet om de geschiktheid van hun kolonisten voor koloniale arbeid.
Soms gaat het om mensen die ze graag uit het stadsbeeld zien verdwijnen, soms - zoals in dit geval - om iemand die oorspronkelijk tot hun eigen stand behoorde maar is afgedaald tot armoede. Dat levert wel mooie dichtregels, maar geen ervaring met landarbeid.



Na zo'n twee jaar kolonisatie komen er moppers uit de kleinere plaatsen en dorpen. Zij vinden dat de steden teveel plekken in de vrije koloniën inpikken. Omdat bovendien de bedelarij ten plattelande veel vaker een crimineel karakter aanneemt (zie ook boek blz. 153 ev), gaat het daar niet goed met het ledental. De Maatschappij accepteert dan ook graag een kandidaat-kolonist uit het landelijke Opperdoes, nabij Medemblik.

De kandidaat heet Sipk Kloppenburg. Hij was
'in zijne jeugd tot predikant bij de hervormde gemeente opgeleid'.
En hij had ook
'verscheiden jaren de godgeleerde studien aan de universi­teit te Leijden niet zonder de meeste vrucht waargenomen'.
'
Maar aan dat beroepsperspectief zou een einde gekomen zijn door
'een ontijdig en ongelijk huwelijk met gebrek aan middelen naauw vereenigd'

Het is de vraag of dat huwelijk echt een rol speelde, want Sipke was al 42 jaar toen hij met de 21 jaar jongere Neeltje Boerdijk in het huwelijk trad. Hoedanook, hij was gedwongen
'den toevlucht tot de naald te nemen'.
Anders gezegd: hij was kleermaker te Opperdoes en blijkbaar was dat geen vetpot. In de kolonie ziet de inmiddels bijna vijftigjarige ex-theologieststudent een kans op verbetering. Volgens de kolonie-administratie komt hij op 21 juli 1822 aan te Willemsoord, met Neeltje en vier kinderen, en op 19 juli, dus vermoedelijk op de ochtend van zijn vertrek, schrijft hij onderstaande brief inclusief jubeldicht aan de permanente commissie.

'Met dankbare blijdschap werd ik onlangs door de subkommissie van Welda­digheid canton Medemblik, geinformeerd nopens het finaal en gunstig besluit van de Permanente Kommissie van Weldadigheid, betrekkelijk mijn persoon en huisgezin, waardoor ik het streelend vooruitzicht heb, om binnen weinige dagen in de kolonien te worden opgenomen.

Welk eenen invloed zulk een berigt maakt op het hart van den gevoeligen en door wederspoed gefolterden mensch, kan zij het best bezef­fen die reeds eenen geruimen tijd in drukkende omstandigheden verkeerd leeft, en die in eene fatzoenelijke kring opgevoed zijnde, niet onbeschaamd genoeg is, om ten laste van anderen, geheel onbekommerd voort te leven, en, zoo als men zegt, fiolen maar te laten zorgen.

Bij de dankbetuiging, namens mij, zoo ik zeker vertrouw, door de subcommissie voor­noemd, bij de Permanente Kommissie tijdig ingeleverd, gevoel ik mij daar en boven overtuigend verpligt, om mij zelven per missive aan de Permanente Kommissie te adresseren en aan dezelve mijnen opregt erkentelijken dank te betuigen, wegens eene zoo gunstige dispositie omtrent het lot van mijn huisgezin.

Onvergetelijk zal mij dit gunstig besluit en het aangenaam berigt hier van zijn, terwijl ik die groote weldaad steeds in eene levende en dankbare erkentenis zal houden.

Bij het denken aan nuttige inrigtingen, kan ik het denkbeeld niet genoeg levendig houden, dat er in onze dagen, eene zeer aanzienelijke vergadering, met onzen doorluchtigen en menschlie­venden Vorst aan het hoofd, zoo weldadig werkzaam is, om den druk te verligten en de ellende te verzachten van lijdenden menschen en over een, langs den zoo blijkkijken weg van verschuldigde pligtsbetrachting, tot eene zekere trap van geluk en eer te verheffen.

    Hier ziet men menschenmin met godsdienst zich verëenen
    Door wijsheid en door deugd gestadig voorgelicht;
    Den arm­ôe ziet men ooit aan ruime zijde wenen,
    Hier straalt Weldadigheid een ieder in 't gezicht.

    Gezegend zij hun hoofd! Heil hunne achtbare leden!
    Zij treffen immer doel in hunne Maatschappij!
    Welhaast zal ik den grond, voor mij bestemd betreden;
    Ontvoerd aan ramp en leed, van bange zorgen vrij.

    Mijn dierbare echtvriendin, droogt reeds haar droêve tranen;
    Ziet, bij de reinste keus zich voor geluk bereid:
    Zij huldigt een bestuur, dat haren weg wil banen,
    Ze eerbiedigt met haar kroost de hand die haar geleidt.

    Straks licht de blijde dag, bij aardsche wisselingen,
    Hij voert mij door zijn glans naar 't volk daar vrede woont:
    Ik zal met fieren moed naar de eere prijzen dingen,
    Waarmêe regtschapenheid den noeste vlijt bekroond.'.


Zoals gezegd komt het gezin twee dagen later, 21 juli 1822, in Willemsoord aan en weer twee dagen later, dus 23 juli 1822, schrijft directeur Visser over hem en een andere kolonist
 '(...) en Kloppenburg zijn zeer ongeschikte voorwerpen voor de koloniën; hebbende weinig ligchaamskragten en voorheen niets gedaan dan studeren en schrijven'.

Eind 1824 komt het toch nog goed, want dan worden ze benoemd tot 'zaalopzieners' in Veenhuizen. Het gezin krijgt nog zo'n zes kinderen en ze blijven altijd op de kolonie. In 1839 keren ze uit Veenhuizen terug naar Willemsoord.




Nadere informatie over betrokkenen
Wordt nog aangevuld; vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.


Neeltje Boerdijk overlijdt volgen de 'rode boeken Kloosterhuis' (niet gecheckt) in 1846.
Sipke Kloppenburg volgens dezelfde bron in 1849.

Hun huwelijk (1814) komt voor op stamboom Kueter. Van de tien kinderen overlijdt er eentje jong. Dochter Elisabeth is in 1864/65 een tijdje ingedeeld bij het gezin van Jan Wardenier jr en Marianne der Nederlanden (zie over dat gezin elders op de site), van de andere kinderen dacht ik niet dat ze op de kolonie gebleven zijn.
Dochter Pietertje Sipke trouwt 1846 te Enkhuizen, zie genealogie Lens, Overigens komt dit huwelijk ook voor op de site van de werkgroep Karel de Grote, Andere kinderen moet ik nog eens zoeken.