Stukje uit de Leeuwarder Courant, oorspronkelijk in 1819 geplaatst, later geactualiseerd voor een brochure in 1822. In het boek geciteerd op bladzijde 174.


Beide de buren


Beide de buren. Hier zijn wij weêr, Domine! en zoo wij u niet ongeleegen komen, willen wij nog wel eens wat van u hooren over de Maatschappij van Weldadigheid.
Predikant. Zeer gaarne vrienden! zet u neder, en zegt mij gul, wat u op het hart ligt.
Jacob. Wij zijn nu beide leden van de Maatschappij, waarvan gij ons zoo veel goeds hebt gezegd.
Predikant. Dat verheugd mij zeer, en gij zult u, hiervan houde ik mij verzekerd, deze uwe kleine bijdragen niet beklagen. Hoe ligt kan men toch één stuiver in de week besparen, en wanneer door deze geringe uitgave zoo veel goeds kan worden tot stand gebragt, als ik u te voren heb gezegd, wie zou dan niet gaarne daartoe willen medewerken?
Jan. Dat is waar, Domine! Maar zullen wij dan ook niet wel haast van den last en den aanloop der bedelaars verlost worden?
Jacob. O! mogten wij dat nog eens beleven! Dan konden wij jaarlijks wel twee ja meer rijksdaalders voor de Maatschappij geven, en wij zouden er nog voordeel bij hebben.
Predikant. Ik weet het, vrienden! de bedelarij baart, vooral ten platten lande, hele lasten en moeijelijkheden, van welke de stedelingen zich naauwelijks een denkbeeld kunnen maken; en gij kunt niet vuriger wenschen, dan ik, dat dit kwaad met wortel en tak wordt uitgeroeid.
Beide de buren. Ja, Domine! van die lasten weten wij te spreken; wanneer geheele zwermen van onbeschaamde bedelaars iedere week ons huis afloopen, en met eene kleine gift nog niet eens te vrede zijn; ja, zelfs door stoute bedreigingen ons dwingen, om hun veel ruimer te bedeelen, dan wij zelven wilden en moesten.
Predikant. Zoo is het, mijne vrienden! De bedelarij maakt onbeschaamd. Zij is de onzalige bron van vele ondeugden. Zij is de pest der burger maatschappij, en, kan men haar uitroeijen, gewis de veiligheid en het genoegen der ingezetenen, zoude er veel bij gewinnen.
Jacob. Maar behoort dit dan ook niet tot de bedoelingen en werkzaamheden van onze Maatschappij van Weldadigheid?
Predikant. Zeer zeker; daar is ook reeds eene kolonie voor bedelaars opgerigt, en men heeft zelfs het uitzigt, om in den tijd van twee of drie jaren de bedelarij in onze Noordelijke Provincien geheel uitteroeijen, althans van de zoodanigen, die arbeiden kunnen.
Jan. Dat kan ik haast niet geloven.
Predikant. Gij zult het toch niet onmogelijk of ongeloofelijk achten, wanneer ik u zeg, dat het bestuur der Maatschappij zelfs berekening en verwachting op zulke gronden heeft gebouwd, dat ieder onbevooroordeelde zich moet laten overtuigen.
Jacob. Maar Domine! hoe groot zou wel het getal der bedelaars zijn, in onze Noordelijke Provincien?
Predikant. Men rekent hun getal op 3000, van welke een gedeelte in de werkhuizen te Hoorn en Amersfoort onderhouden worden, doch ook een gedeelte nog omzwerft, en de plaag der ingezetenen is.
    Nu is er door de Maatschappij reeds gezorgd, dat in dit jaar (1822) bereids 1000 bedelaars in de kolonie kunnen worden opgenomen, en tot den arbeid opgeleid. En evenzoo zullen in de jaren 1823 en 1824 telkens nog een duizendtal bedelaars geplaatst kunnen worden, en aldus onze Noordelijke Provincien eindelijk geheel van dezelfde gezuiverd zijn.
Jacob. Maar zullen daardoor de uitgaven der Maatschappij niet bovenmate vermeerderen?
Predikant. Ook daarvoor is genoeg gezorgd, door een besluit van Z.M. den Koning, waarbij onder anderen bepaald is, dat de bedelaars, die in de kolonien worden opgenomen, voor rekening blijven van de gemeenten, die verpligt zijn, om voor derzelver onderhoud te zorgen; doch dat voor elke bedelaar niet meer dan ƒ 35-: jaarlijks zal behoeven betaald te worden.
    En nu ziet de Maatschappij, door deze geringen jaarlijksche toelage, en door de contributien van hare leden ondersteund, zich in staat gesteld, om een getal van 3000 bedelaars aan werk en brood te helpen voor dezelfde som, welke thans tot het onderhoud van 1000 bedelaars in 's Rijks werkhuizen wordt vereischt.
Jan. Nu kan ik begrijpen, dat wij met grond mogen hopen, om eindelijk eens van de plaag der bedelarij verlost te zullen worden.
Predikant. Dat niet alleen; maar zoo het edel doel onzer loffelijke Maatschappij worde bereikt, (en dat zal zij gewis bereiken, wanneer maar alle weldenkende Nederlanders haar blijven ondersteunen), dan zullen wij ook de vreugde genieten, dat zoo velen onzer landgenooten uit de laagte, waarin zij gezonken waren, worden opgeheven, tot een werkzaam leven opgeleid, en als nuttige leden aan de groote maatschappij zullen worden teruggegeven. Dan zullen wij die onzalige bron van zedeloosheid de menschonteerende en alle gevoel van schaamte verdoovende bedelarij welhaast geheel zien uitdroogen; en slechts oude, zwakke en gebrekkige, onder onze landgenooten, zullen tot onze weldadigheid en menschenliefde hunne toevlucht behoeven te nemen.
Beide de buren. Dat wenschen wij hartelijk, Domine! dan zullen wij ons te meer verblijden, dat wij tot dat groote doel ook iets hebben bijgedragen, en te meer reden hebben, om u te bedanken, dat gij ons, door uw vriendelijk onderrigt, bewogen hebt, om leden te worden van eene Maatschappij, die zoo veel goeds sticht, en zoo veel goeds bedoelt.