Archiefstukken komen uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186. Het onderstaande verhaal is samengesteld uit de ingekomen post van de permanente commissie juli-augustus 1821 (inv. nr. 58), een brief van de pc uit inv. nr. 352, en tenslotte een brief van de directeur uit inv.nr. 74.



... aan eene ziekte heeft gelaboreerd, welke hij tragte voor anderen te verbergen


Uitgezonden door de subcommissie van weldadigheid Bovenkarspel, arriveert Roelof Zwaan of Swaan op 6 juli 1820 met vrouw en vijf kinderen in de toen net uit de grond gestampte kolonie Willemsoord. Een jaar later overlijdt hij.
In het boek (blz. 298-299) wordt genoemd hoe de verhalen van zijn echtgenote over de geneeskundige hulp - of beter het gebrek eraan - die hij op zijn sterfbed had ontvangen, leidden tot een relletje. En tot het acuut weer naar huis terugkeren van enkele nieuwgekomen kolonisten. Hier het volledige verhaal.


De toestand begint als de weduwe Zwaan op familiebezoek in Bovenkarspel is geweest. Kort daarop komen haar verhalen via-via terecht bij secretaris O. van Tricht van de subcommissie van weldadigheid te Enkhuizen en hij schrijft op 6 juli 1821 aan de pct:
'Roelof Zwaan, die van het naburige Boven­karspel in den voorleden jaar naar Willem­soord of zo is verzonden en aldaar zeer on­langs is overleden, schijnt volgens ingeko­men berigten, het bezoek van den genees­heer, ja alle genees­kundige hulp gedurende zijne ziekte geheel ontbeerd te hebben.
Dit baart groote klagten en werkt der tegenstre­ving der dorpen meer en meer op de hant. Daarom wenscht de schrij­ver dezes om in de gelegenheid te worden gesteld, om dit berigt als valsch te kunnen logenstraffen.'

Met de passage over de dorpen doelt hij erop dat de Maatschappij rond deze tijd veel leden in kleinere plaatsen verliest. De dorpscommissies vinden dat de grotere steden alle plekken in de kolonie voor zich opeisen. De pc stuurt de brief door naar directeur Wouter Visser op de kolonie, die informeert bij de directie van Willemsoord en dan legt hij 14 juli 1821 uit hoe het zat:
'Eindelijk heb ik de eer der Permanente Kom­missie ter voldoening aan haar bij missive do 7 julij no.137/7 geuitte verlangen, te berigten, dat den Heer adjunkt Direkteur Drijber mij heeft verklaart, zelfs van de ziekte van den overleden Roelof Zwaan niet anders te heb­ben gewe­ten, als van een kleine ongesteld­heid en dat het derh. wel mogelijk was, dat in de klagten eene waarheid gezegd, maar ook wel eene andere verzwegen zoude zijn ge­weest; terwijl Zijn Ed. den adj. Direk­teur tot meerder staving van zijn gevoel in deezen erbijvoegt, dat het zeker schijnt dat gen. Roe­lof Zwaan aan eene ziekte heeft gelaboreerd, welke hij tragte voor anderen te verbergen.'

Dokter Schuurman komt in de Star ook ijlings duidelijk maken dat het overlijden van de Bovenkarspelse kolonist niet de schuld van de Maatschappij was.
‘Deze man had zekerlijk in het warme saizoen, zijn' gewonen arbeid met vlijt doorzettende, eene belette uitwaseming opgedaan, en had door het overmatig gebruik van waterige dranken zijne inwendige konstitutie zoodanig gedesorganiseerd, dat hierdoor eene meer dan gewone zwakheid ontstaan, en hij alzoo tegen de hevigheid der ziekte in geenen deele bestand was.’


De echtgenote van Roelof, die Jantje of Jannetje Houtkoper heet, strooit haar verhalen niet alleen rond thuis in Bovenkarspel, Ze doet dat ook op het beurtschip dat haar over de Zuiderzee terugbrengt naar de kolonie en dat heeft gevolgen. Op 4 augustus 1821 schrijft Johannes van den Bosch vanuit Frederiksoord aan de pc over drie nieuwe kolonisten die een dag na aankomst al weer rechtsomkeert hebben gemaakt:
'Alle pogin­gen om hun tot andere gedagten te brengen zijn machteloos geweest.
 De aanleidende oor­zaak tot dat spoedig besluit schijnt geweest te zijn de ontmoeting van vrouw Swaan op het schip waar mede zij zijn overgekomen, die hun een ongunstig denkbeeld van de kolonie heeft ingeboezemd.'

Die drie nieuwe kolonisten, die op weg waren om tot de eerste bewoners van het dan net opgerichte Wilhelminaoord te behoren, kwamen uit Amsterdam. En als de pc op 8 augustus 1821 de subcommissie Amsterdam een verklaring wil geven voor hun terugkeer, gebruikt ze dit verhaal van Johannes:
'(...) schijnen zij gehoor te hebben gege­ven, aan de lasterlijke taal omtrent den toe­stand in de kol:, van zekere kolonisten, hun­ner reisgenoten in den beurtman, alvorens dien zelve te hebben onderzocht'.

Amsterdam gelooft daar weinig van, schrijft zij in haar reactie van 11 augustus 1821:
'(...). willen wij gaarne, wat de eerste reden aangaat, de stellige verzekering van UWEds. aannemen, dat er door zekere kolonisten, hunne reisgenoten in den beurtman, eene lasterlijke taal omtrent der kolonie kan ge­voerd zijn: maar, als de vele smaadredenen, die zich hier sommige, en wel van allerlei stan­den, over de koloniale inrichtingen dage­lijksch veroorloven, de opgemel­de huisgezin­nen van hun voornemen en besluit, om naar de kolonien te vertrek­ken, niet hebben afge­schrikt, dan menen wij in bedenking te mo­gen geven, of de schein wel genoegzame grond heeft, dat zij daar aan, alvorens zelve te hebben onderzogt, zouden gehoor gegeven hebben (...)'


Vrouw Zwaan zal wat moppers van de directie over haar 'lasterlijke taal' gehad hebben, maar ze mag met haar kinderen in Willemsoord blijven wonen. Zie de inschrijving in het bevolkingsregister Willemsoord, invnr 1407:




Een oudere dochter, Debora, was niet meegekomen naar de kolonie en was een paar maanden voor de dood van haar vader al in Wijdenes getrouwd. Twee andere kinderen vertrekken na een paar jaar van de kolonie, blijkens een brief van de directeur op 19 juni 1825:
'De kolonisten Maria, dogter van Jacobus Bouwman kol. 4, Hendrik zoon van Willem Kuiters, Jan en Eeltje zoon en dogter van de wed. Roelof Zwaan, Gerardina dogter van Pieter van der Veen, alle uit kol. N3, en eindelijk Grietje dogter van Jan Brands kol. N6 ontslag verzogt hebbende neem ik de vrijheid tot het geeven daarvan de authorisatie te vragen.'




Nadere informatie over betrokkenen
Wordt nog aangevuld; vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.


De weduwe Zwaan overlijdt in 1830 in Willemsoord. De twee jongste kinderen worden ondergebracht bij huisverzorgers. Later, in 1835, trouwt dochter Grietje met een zoon van proefkolonist Hogenbrink, welke zelf ook kolonist en later wijkmeester in Frederiksoord wordt. Na haar vroege dood (1838) trouwt hij met een dochter van proefkolonist Tijmes en...
Een andere dochter Zwaan, Siementje, trouwt in 1840 met een zoon van proefkolonist Tijmes. zie ook, met de spelling Swaan, de stamboom Sumpel.

Het is overigens nog knap ingewikkeld in die kolonie-administratie, want..... er woont nóg een weduwe Zwaan in Willemsoord!!
In het stamboek met inv.nr. 1407, dat gemaakt is na zomer 1821 en bijgehouden tot eind 1822, staat als bewoonster van hoeve 62:
Marijtje Kramer, weduwe van J. Zwaan. Dit gezin komt uit De Rijp en is katoliek, ze zijn op 2 juni 1820 in Willemsoord aangekomen, Jan Zwaan is overleden op 10 juli 1822 en zijn weduwe blijft achter met drie of vier kleine kinderen. Zie ook deze externe link.
En zoals op het plaatje hierboven te zien  wordt hoeve 75 van Willemsoord bewoond door:
Jannetje Houtkoper, weduwe van R. Zwaan. Dit zijn degenen waar bovenstaande verhaal over gaat.

Om de kansen op verwarring te complementeren... allebei de weduwes Zwaan, dus zowel Jannetje Houtkoper weduwe Roelof Zwaan als Marijtje Kramer weduwe Jan Zwaan, overlijden te Willemsoord in 1830 !!

((Die twee mannen Zwaan zullen toch niet ook nog eens familie van elkaar zijn??))