Archiefstukken komen uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het
Drents Archief, inventarisnummer 0186. Onderstaande komt uit invoernummers 59 en 61.




om u nogt is te her hinderen

Vanaf najaar 1819 kunnen instellingen contracten met de Maatschappij afsluiten voor de plaatsing van groepjes weeskinderen in de vrije koloniën, in het boek (blz. xxx) aangeduid als de drie halen één betalen-regeling. Het 'Stads Armbestuur te Vlaardingen' sluit twee van zulke contracten, in februari 1820 en in februari 1821, binnen de kolonie-administratie respectievelijk de contracten A 16 en A 25.




Uit de Staatscourant van 20 juli 1820, overgenomen uit de Rotterdamsche Courant:

   Vlaardingen, den 7 julij.

    Gepasseerden woensdag, den 5den junij, arriveerde binnen deze stad de eerste jager met 5 en 1/3 ton haring, waarvan dadelijk aan Z.M. den Koning, deszelfs doorluchtige Zonen, en vervolgens aan de hooge ambtenaren des Rijks geschenken afgezonden en daarna ruim 3 ton verkocht zijn voor ƒ 1200 de ton.
     Uit deze stad zijn, op den 30sten junij, van wegens het stads armbestuur, naar Amsterdam vertrokken twee huisgezinnen, benevens eene huisverzorgster en zes armen-kinderen, te zamen 20 personen, bestemd voor de kolonie Frederiksoord, alwaar van wege de sub-commissie van Weldadigheid, sedert meer dan een jaar, met de het beste gevolg, ook reeds een huisgezin is gevestigd.



Als ze eind 1821 met verlof zijn, wordt vanuit Vlaardingen geklaagd over hun schoeisel, blijkens een brief van Wouter Visser dd 23 november 1821:

     (...)
     Wat aangaat de reparatie der schoenen van de weezen te Vlaardingen, het is zeer ligt mogelijk dat, toen twee dier kinderen met verlof waren, hunne schoenen moesten worden herstelt, maar daarom behoeften zij niet naar Vlaardingen te gaan, daar dit in de kolonie zeer goed kan geschieden en ook geschied; dan dit komt mij voor een ongegronde en gezogte klagten te zijn; te meer daar juist die kinderen zich in een goeden staat bevinden.



En op 10 mei 1822 melden zich E. van Eijk en L. Romijn bij de permanente commissie met een briefje waaruit blijkt dat ze niet gewend zijn zich schriftelijk uit te drukken:

     mij heer dezen dient om u nogt is te her hinderen dat de familie van teuntje valk, verwagten, haar te rug komst van het frederik oor daar zij zonder voorkenenis van ons hebben haar na toe gestuert.

pijnaker den 10 mij


Uit het bijschrift blijkt dat Teuntje Valk is besteed door het R.K. armbestuur van Vlaardingen. Het ontslag wordt verleend.