Tabaksteelt in de koloniŽn, in twee delen

Het lijkt een wild plan van ene meneer Streeflandt in 1819: een tabaksplantage in de kolonie Frederiksoord. Er wordt dan ook niet serieus op ingegaan. Maar zevenentwintig jaar later wil men het daadwerkelijk proberen!

De brief van Pieter Streeflandt draagt geen datum. Maar het zal begin 1819 zijn. De start van de proefkolonie Frederiksoord is groot nieuws in ons land en schenkt veel verarmde landgenoten hoop. Zo ook aan Streeflandt die constateert dat zijn bestaan al meer dn twee jaar 'aan het zinken is geraakt' en die denkt dat het in 1819 nog erger zal worden.

Dus komt hij met een voorstel. Zijn brief komt terecht bij de subcommissie van weldadigheid Rotterdam, want daar in de buurt woont Streeflandt. De subcommissie schrijft de brief over - waarschijnlijk vonden ze Streeflandts handschrift niet netjes genoeg -, zet er 'kopie' boven en voegt hem bij haar brief aan de permanente commissie van 12 februari 1819.

Het zit allemaal in inventarisnummer 50. Dit is de brief van de subcommissie, voor de kopie van Streeflandts brief een paar plaatjes doorbladeren. De tekst, waaraan ik ten behoeve van de leesbaarheid wat interlinies heb toegevoegd:

Aan het achtbaar genootschap tot voortplan≠ting der landbouw en ander konsten opge≠richt te Frederiksoord

Gevende ik, ondergetekende met alle oot≠moed te kennen, dat ik reeds den tijd van vijf jaren hebbe bedient een zeer aanzien≠lijk gezelschap met de grootste iever en vlijt gepaard met een gevoel van alle christelij≠ke eerbied,

dan daar ik duidelijk gevoelen dat dit mijn bestaan reeds meer dan twee jaren aan zinken is geraakt, gevoel ik zeer ligt dat het aanstaande jaar 1819 nog erger zal zijn,

en daarom ben ik bedacht om van dit tegen mijn gemoed stotende bestaan af te zien,

en mij gewillig te toonen met vrouw en vier kinderen waarvan twee zoons en twee dochters naar Frederiksoord te willen reizen om aldaar mijn affairen die ik door en door bekwaam ben aldaar te kunnen uitoefe≠nen,

bestaande in de pooting en planting van tabak en dezelve alzoo te bewerken dat zij geschikt is om voor rook en snuiftabak te kunnen gebruikt wor≠den,

hetwelk een groot be≠staan voor de Maatschappij kan uitma≠ken en het welke ook voor de colonisten ontontbeerlijk is, waar ik ook niet aantwijf≠fe≠len of het land zal door vlijt hiertoe kunnen bereid worden, mits ik hiertoe volk kan requireren die ik noodig vinden.

Nu zal UWE zeker denken dit zal important veel moeten kosten, ik antwoorde niets, vooreerst heb ik lijfbehoeften van mij, mijn vrouw en 4 kinderen niets nodig,

ten 2e om die affairen te beginnen namelijk van kerfbanken en snuifmolens zal ik zelf aanbrengen, en dus heb ik niets meer nodig als vrij transport en natuurlijk een thuis en eenige landerije.

Deze proposi≠tie kan dunkt mij niet anders dan aan≠neemelijk gevonden worden, dewijl niets anders beoogen, dan nuttig te zijn voor de bur≠gerlijke maatschappij en onder een stille tevredenheid mijn hemelschen vader te die≠nen die toch overal gevonden en geŽer≠bie≠digd kan worden.

Naar mijn gedrag en wan≠del kan geinfor≠meerd worden aan de Wel≠Edele Heeren van Zwijndregt & Wei≠land alwaar ik vijf jaren zeer wel ben bekend ge≠weest.

Was getekend - Pieter Streeflandt

Hoe mooi geformuleerd ook, het maakt geen indruk. In het brievenboek van de permanente commissie, inventarisnummer 50, wordt genoterd: 'Rekwest van P. Streefland om als tabaks≠planter in de kolonie geplaatst te worden. Bij provisie niet employabel.' Met 'bij provisie' bedoelt men 'voorlopig'. Maar men komt er nooit op terug. Dacht ik...

Deel 2

Tot ik een brief tegenkwam van de directeur der koloniŽn van 23 februari 1846 aan de permanente commissie. De brief bevindt zich in inventarisnummer 315, klik hier en vul rechtsonder scannummer 55 in. De tekst van de brief:

Bij UwelEdeG. Resolutie van den 22 Mei 1845 N20 heb ik 5 soorten zaad van Virginische tabak ontvangen, om daarmede proeven te nemen in de gewone koloniŽn;
waarop ik de eer had den 2 Juny sub N1383, te antwoorden, dat het seizoen daartoe voor dat jaar verloopen was.

Nu zou men daarmede moeten beginnen, maar, om de daaraan verbonden kosten - aangezien de tabaksbouw aan de kolonien geheel vreemd is - heb ik gemeend, UwelEdelG. aandacht daarop te moeten vestigen en mitsdien bepaalde autorisatie te vragen tot het doen der vereischte uitgaven.

Volgens de statistiek van Gelderland, waarvan ik zoo vrij ben een exemplaar hiernevens te voegen, bladz. 216-225, moet het zaad in de volgende maand in broeibakken gezaaid worden, die dus dienen te worden gemaakt of gekocht en aangelegd.

Ofschoon er veel meer zaad ontvangen is, dacht ik niet meer dan 30 N. roeden met 10,000 planten, 2000 van iedere soort, te moeten doen beplanten, voor de helft op guano en voor de andere helft, in plaats van op duivenmest, die hier bezwaarlijk te verkrijgen zou zijn, of op schapenmest, die daartoe van Doldersum naar het terrein alwaar de proeve zoude genomen worden, zou moeten worden overgebragt, op straatvuil of secreetmest, wanneer UwelEdelG zulks goedvinden.

Waar ter plaatse die proeve het best zullen genomen worden, weet ik nog niet, daar er noodzakelijk eenen beschutting moet worden gezocht of gemaakt en het ook wenschelijk zou wezen, dat het in de nabijheid was van eenen kolonist, die met de tabaksteelt min of meer bekend was en het dagelijksch opzigt erover kon houden.

Daar er op een Rh. morgen best tabaksland 40 voer zuivere schapenmest gevorderd schijnt te worden, zou ik de 30 N. roede met É 60:- guano en straatvuil willen bemesten en dus voor É 30:- guano op 15 roenen en É 30:- straatvuil of secreetmest op de andere helft; welke mest nog niet dadelijk benoodigd is, maar de broeibakken met geolied papier, groot genoeg voor 10,000 planten, zijn tn eerste noodig.

Mogten UwelEdelG de proeven op een nog kleinere schaal, of in andere opzigten gewijzigd, verlangen genomen te zien, dan gelieve UwelEdelG. mij hieromtrent het welnemen van UwelEdelG te doen verstaan, waarbij UwelEdelG. de Statistiek gelieve terug te zenden.

De directeur der koloniŽn
J. van Konijnenburg

Ik heb niet de moeite genomen na te kijken hoe dit afloopt. Kolonietabak is nooit een begrip geworden, ik ben het althans nergens tegengekomen, noch als sigaret noch als pijptabak noch als snuif. En op de een of andere manier krijg ik uit deze brief de indruk dat Van Konijnenburg het zelf ook helemaal niet ziet zitten. En hoe zou hij willen komen aan een kolonist die 'min of meer bekend is met de tabaksteelt'?