De dood van Opa Appinga

Ik_en...
Hieronder een deel van de tekst van mijn_gereedschaphet in 1987 uitgekomen boek De dood van Opa Appinga. Dat hoort bij de afdeling 'jeugdzondes', dit het eerste boek dat ik ooit schreef.
Ik zal nog op zoek naar een aantrekkelijker vorm op dit op de website te brengen, maar dat wordt nog afwachten. De omslagjes links geven het begin van een nieuw  hoofdstuk aan.






app















Het was halverwege een woensdagmiddag toen in enen de oude opa Appinga bij ons in de straat dood neerviel. "Ge- storven aan Eigen Bijdrages,' meende één straatbewoner. "De drank,' dacht een tweede en een derde merkte op dat ze 'zo'n oude man een benedenwoninkje hadden moeten geven'. In al die uitspraken zat een kern van waarheid, maar daarnaast was het ook stom.
   Wat er feitelijk gebeurde, was dat de oud opa Appinga een hele zware plastic vuilniszak van vijfenzestig-drie-hoog - daar woonde hij - naar beneden had gesjouwd en die inspanning was hem blijkbaar te veel geworden. Nadat hij uitgeput de zak aan de stoeprand had neergezet, was hij levenloos voorover gevallen.
    Nu was wat hij aan het doen was ook niet correct ge- weest. Hij had geprobeerd zijn vuilniszak op het plekje van de buren te zetten om zo te ontkomen aan de vijftig cent eigen bijdrage in de vuilverwerkingskosten die we per zak moeten betalen. Dat is niet eerlijk en ook niet slim, want het was midden op de dag. Iedereen had hem die zak zien wegzetten en je hebt altijd wel etters die je verlinken, want je krijgt vijf gulden voor elke aangifte van een eigen bijdrage-ontduiking en het is crisis, nietwaar? We hebben de centen allemaal hard nodig.
    Bovendien was het stom omdat die zak veel en veel te zwaar was voor zo’n oude man. De inhoud bestond name- lijk geheel uit lege jeneverkruiken. De oude Appinga was er onlangs in geslaagd een enorme hoeveelheid clandestien gestookte jonge klare te hamsteren. Die voorraad, in ouderwetse, onfatsoenlijk zware kruiken, had hij opge- slagen in zijn keukenkastjes, maar de laatste tijd was hij, uit angst voor inbraak of - nog erger - controle van de Sociale Dienst, schichtig begonnen de voorraad weg te werken. In z°n eentje en in het geniep. Daarom had hij ook niet aan de buren gevraagd of zij de zak voor hem buiten wilden zetten, want dan hadden ze vast gemerkt wat er in zat en hadden ze zeker op een glaasje genood willen worden. Stom dus.
   En ten slotte: die lege kruiken mogen tegenwoordig he- lemaal niet meer in een vuilniszak en dat wist opa Appinga ook. Die horen ingeleverd te worden voor hergebruik. Alleen betaal je voor elke ingeleverde kruik vijftien cent eigen bijdrage in de recyclingskosten en dat geld had de oude Appinga zich trachten te besparen door de kruiken slinks bij het vullis te zetten.
Kortom: stom, drank, eigen bijdragen. Maar even zo goed was het een rotgezicht om die ouwe daar zo leven- loos naast zijn vuilniszak te zien liggen.






Het was einde zomer, een warm zonnetje scheen op de oneven nummers en terwijl de vrouwen naar hun werk waren, hingen de mannen over het balkon naar beneden te staren, want dat we iets te doen hadden kon je niet zeg- gen, nee.
     Het voordeel van zo'n smal straatje als de Brederode- straat is dat je met elkaar over de breedte heen kunt dis- cussiëren en dat gebeurde net vanaf een paar balkons. Be- sproken werd het wel en wee van SVW (derde klasse ama- teurs, vier seniorenteams en een bloeiende sectie jeugd met drie pupillen- en zes juniorenelftallen), de club waar- voor het warme voetbalhart van deze buurt klopt.
   Toen
zagen we Appinga neergaan. We dachten eerst dat hij gewoon gestruikeld was, maar toen hij na twee minuten nog steeds plat voorover lag, begrepen we dat er meer aan de hand was.
   
Ome Sjoerd van drieënzestig-éénhoog, dus uit het pand naast dat van de oude Appinga, ging als eerste kijken. 'Hé ouwe, kan je niet beter in je bed gaan liggen?' vroeg hij, terwijl hij opa Appinga bij een schouder heen en weer schudde. Toen dat geen resultaat opleverde, richtte ome Sjoerd zich weer op. Met zijn lelijke, vlezige, vierkante gezicht keek hij aarzelend omhoog naar ons op de balkons. “Hij geeft geen sjoege, jongens. Hij kan wel pleite wezen”
   
Vanaf een balkon twee huizen naast mij, dus aan de even kant, kwam de zware bas van Jaap Gijssers die vroeger een cigarenzaakje had op de Overtoom: “Je moet hem een spiegeltje voor z'n mond houden.”
      Ik knikte goedkeurend. Ben Casey, dokter Kildare, St. Elsewhere, je steekt er toch wat van op, van die televisie- series. Ome Sjoerd zat waarschijnlijk altijd op het andere net, want die begreep er niets van: “M'n zolen. Moet ik soms gaan kijken of-ie z'n tanden gepoetst heeft?”
     Ik besloot het zelf uit te leggen, anders kon dit lang gaan duren. “Als hij nog ademt, dan beslaat dat spiegeltje, dus als het spiegeltje schoon blijft dan ademt hij niet meer,' riep ik naar beneden.
     Ome Sjoerd had het nu begrepen, ging naar boven om een spiegeltje te halen en hield dat voor de mond van de ouwe Appinga. Het spiegeltje bleef schoon, maar wij had- den het al eerder zo”n beetje begrepen. Appinga ver- roerde geen vin en het leek ons niks voor hem om doodstil te blijven liggen terwijl de halve straat het over hem had.
     Kort daarop kwam er nog een student die ergens aan het
begin van de straat op kamers woont en die studeerde iets medisch en die wist waar hij naar de polsslagader moest zoeken en die was daar niet, dat wil zeggen de polsslaga- der natuurlijk wel, maar niet de polsslag.
     Duidelijk dus. We zaten met een lijk. In de straat, op de stoep, naast een vuilniszak.







Ondertussen waren Jaap Gijssers - die op het idee van dat
spiegeltje gekomen was en die vroeger een cigarenzaakje
op de Overtoom heeft gedreven - en ik ook naar beneden
gekomen. Gijssers wilde weten uit welk jaar de overlede-
ne dateerde.
“Negentienhonderd-en-drie,” wist ik, want ik had de ou-
de Appinga een keer geholpen met het invullen van zijn
AOW-papieren.
We lieten even een stilte vallen om ook ome Sjoerd de
gelegenheid te geven een en ander uit te rekenen. Mijn
overbuurman, ome Sjoerd dus, is een grote, ietwat te dik-
ke vent van rond de veertig. Hij heeft jaren in de bouw
gezeten totdat het hem in de rug schoot. Op advies van de
keuringsarts hebben ze hem daarna op de dragline gezet,
maar toen schoot het van zijn rug naar zijn billen. Sinds-
dien is hij honderd procent arbeidsongeschikt verklaard.
Bijzonder sympathiek als overbuur, maar geen reken-
wonder.'
“In de tachtig, dik in de tachtig is-ie geworden,' gaf hij
de uitkomst bij benadering.
We werden het erover eens dat dat “een mooie leeftijd”
was. “Ik zou er voor tekenen,” zei Jaap Gijssers. Ik betwij-
felde of dat hem zou baten, want dan zou hij het nog zo”n
dertig jaar moeten uitzingen en daarvoor heeft hij inder-
tijd op de Overtoom te veel van zijn eigen handel ge-
snoept. Jaap Gijssers is een lange schrale vijftiger met een
rokershoestje en een onveranderlijk chagrijnige uitdruk-
king op zijn gezicht, maar dat laatste kan zijn omdat hij
moet zien rond te komen van de Rijksgroepsregeling
Werkloze Zelfstandigen.
    Ome Sjoerd vroeg naar familie en ook daarop wist ik antwoord. De oude Appinga had één zoon gehad, maar  die was van een minder sterke generatie en alweer een  tijd terug gestorven. Mevrouw Appinga was vier jaar geleden van ons weggerukt.
   De discussie verplaatste zich naar de manier van heen-  gaan van de oude Appinga. De student, die zonet tever-  geefs naar de polsslag gezocht had, veronderstelde dat het  een defect aan de hartkleppen geweest was, voordat hij  iets mompelde over een tentamen de volgende dag waar-  voor geleerd moest worden en hij op zijn fiets stapte om  naar huis te rijden.
   “Hij heb in ieder geval niet geleden,' vond ome Sjoerd.






Er voegde zich nog een straatbewoner bij ons. “Ies man  dood?' vroeg Achmed met een blik op Appinga.
   Achmed is afkomstig uit een dorpje in de buurt van An-  kara en woont al acht jaar bij ons in de straat. In gesprek-  ken kan iedereen redelijk met hem uit de voeten, al kun je  om verwarring te voorkomen de werkwoordsvervoegin-  gen beter laten zitten. We hebben allemaal zo onze me-  thodes ontwikkeld om informatie met hem uit te wisselen.
   “Hart kapot,' zei ik. “Zware zak (ik wees op de vuilniszak) hij slepen van boven (ik wees naar de derde etage)  naar beneden. Toen... boem. Hart kapot.”
  Deze medische verklaring scheen Achmed tevreden te  mllen, want hij knikte enkele malen.
  “les al oude man," zei hij. Dat onderwerp hadden we  zojuist uitputtend behandeld, dus daar gingen we nu ver-  ka' niet op in.
   Er viel een stilte.
  “Wat moeten we nou doen?” vroeg ome Sjoerd zich hardop af.
  “Apeldoorn bellen,” zei Jaap Gijssers, maar ome Sjoerd keek hem vernietigend aan. Daarna begon hij vragend naar mij te gluren.
    Dat doet hij vaker als hij iets niet weet, ik ben met mijn  vijfendertig jaren de jongste van het stel, maar ik heb wel  de meeste opleiding genoten. Spijtig genoeg brengen die  opleidingen je niet bij wat je moet doen met stoffelijke  overschotten van vijfentachtigjarige straatgenoten. “Eh,  politie laten komen?' probeerde ik.
   “Hm,° zei ome Sjoerd. En daarna: “Zullen we hem dan  eerst weer omhoog sjouwen en op z”n bed leggen?' Ter  motivering eraan toevoegend: “Dat staat stukken netter.”
   Maar Jaap Gijssers dacht dat dat niet kon. “We kunnen  niet zomaar met hem gaan lopen zeulen. Straks denken ze  dat wij hem iets aangedaan hebben. De smerissen moeten  hem eerst hier zien liggen.”
  “Wat?° vroeg Achmed.
  Ik sprong weer in: “Wij niet sjouwen oude man (ik wees  op Appinga) naar boven (ik wees naar driehoog). Eerst  wachten op tu-húút, tu-húút.” En met mijn vinger boven  mijn hoofd deed ik een zwaailicht na.
  Achmed keek naar de oude Appinga en haalde zijn  schouders op. “Heeft geen zin,' zei hij. “Oude man ies al  dood."
  Ik dacht eerst dat er een misverstand in het spel was.
  “Nee, nee," zei ik. “Niet tu-húút, tu-húút ziekenwagen,  maar tu-húút, tu-húút politie” en deed nog twee keer de  truc met de zwaaiende vinger boven mijn hoofd. Maar  Achmed bleef er de zin niet van inzien en haalde nogmaals  zijn schouders op.
  “Een ongeluk?” informeerde een stem achter ons. Daar  stond Willum. Zit niets kwaads bij, bij die Willum. Woont  een stukje verderop, nummer éénentachtig of drieëntach-  tig of daaromtrent, ongeveer zo oud als ik (ook dertiger  dus, maar hij ziet er ouder uit), met als belangrijkste ken-  merk dat je hem zo°n drie à vier keer per dag met een lin-  nen tasje voorbij ziet schuiven, overdag op weg naar de  kruidenier en ”s avonds naar de avondwinkel. Daar wis-  selt hij lege bierflessen in voor volle, met bijbetaling uiter-  aard, en daarna zie je hem weer naar zijn woning terug-  schuifelen om ook die lading leeg te drinken.
   Willum is het prototype van de stille drinker. Hij verkeert in de, overigens onjuiste, veronderstelling dat wij  niet weten dat hij drinkt. Die gedachte ontleent hij aan  het feit dat niemand hem ooit dronken heeft gezien, want  tegen de tijd dat hij echt kachel is zit hij thuis en zijn de  overgordijnen dicht. Hij vergeet daarbij dat we wel goed  zijn hier in de straat, maar niet gek. We moeten zelf ook  wel eens bij de kruidenier of in de avondwinkel zijn, en  dan gaat het opvallen als je hem daar telkens tegenkomt.  Bovendien lukt het hem zelden of nooit om het hele stuk  met zijn linnen tasje af te leggen zonder een keer te strui-  kelen en dan hoor je door de hele straat de bierflessen te-  gen elkaar aan rinkelen.
  “Ik kom net bij de bakker vandaan en toen zag ik dit  oploopje. Wat is er gebeurd?” wilde hij weten, terwijl hij het linnen tasje steviger vastgreep om rinkelen te voorkomen. We legden hem in korte bewoordingen uit dat de oude opa Appinga ons ontvallen was. Om hem een beetje te  pesten noemde ik als vermoedelijke doodsoorzaak de lediging van al die jeneverkruiken, maar Willum reageerde daar niet op. Hij vroeg slechts wat er nu moest gebeuren en ome Sjoerd legde uit dat wij na discussie overeengekomen waren de sterke arm te hulp te roepen.
  Achmed heeft thuis telefoon en wierp zich op als vrijwilliger om dat besluit uit te voeren. Toen wilden we ineens met hem mee, want ze zetten daar koffie waar je een  hele dag op kunt blijven lopen.
  `D'r... eh... d'r moet wel iemand bijblijven natuurlijk.  We kunnen hem niet zo allenig laten liggen,” vond ome Sjoerd.
  Jaap Gijssers zag een oplossing. “Willum, jongen,' zei hij, 'als wij deze zaak nu eens solidair als hele straat aanpakken. Dan haal ik van boven een lekker koud pilsje voor jou en als wij dan even een kwartiertje weg zijn, hou  jij zolang de wacht bij Appinga.'
   “Dattie niet wegloopt,° probeerde ome Sjoerd een mopje te maken.
   “Och,” zei Willum, “pils...  Ik drink liever niet zo vroeg  op de dag.”
   Schijnheil, dacht ik, aan die waterige oogjes te zien ben  je al bezig aan je tweede wandeling vandaag. Met zijn  grondige kennis van de menselijke natuur wist Jaap Gijs-  sers weer de juiste woorden te vinden. “Begrijp ik, jon-  gen, begrijp ik, maar dit is een bijzondere situatie. We  zijn nou allemaal wat uit ons gewone doen. Dus wacht  maar, dan duik ik even voor jou in de ijskast.”
   Prima, dacht ik, terwijl ik keek hoe Jaap Gijssers snel  de straat overstak en zijn huis binnenging: geen tijd geven  om na te denken, meteen actie ondernemen. “Het is in ieder geval aan de zonkant,' hielp ik, “en het is lekker zacht  weer.'
  “Och...,° zei Willum, terwijl hij voorzichtig het linnen  tasje op de grond liet zakken. Voor zo'n jongen is het in  financiële zin natuurlijk een uitkomst als hij een keer op  kosten van iemand anders kan drinken.
    “Moet je d”r een glas bij?” riep Jaap Gijssers vanaf zijn  balkon naar beneden.'
   “Och,” zei Willum, “och ja, da°s wel lekker.'
  Toen ome Sjoerd er even later in slaagde een oud tuin-  stoeltje van zijn balkon naar beneden te sjouwen was het  helemaal bekeken. Jaap Gijssers had voor de zekerheid  maar meteen vier halve liters bier uit zijn ijskast getrok-  ken, plus een bruine boterham met kaas want dat van die  bakker, daar geloofden we natuurlijk niets van. We dach-  ten zo dat we Willum met een gerust hart de wake konden  laten verrichten, zeiden nog tegen hem goed op Appinga  te passen en dat we zo terug zouden zijn en liepen toen  naar Huize Achmed.




Ome Sjoerd, Jaap Gijssers en ik pasten precies naast el-  kaar op de bank en Achmed pakte de telefoon terwijl me-  vrouw Achmed, zoals ik haar voor het gemak maar zal  noemen, iets onverstaanbaars aan haar man vroeg en toen  koffie ging inschenken. Zij was voldoende aan ons aange-  past om te vragen of we die koffie in een Nederlands kopje  of in een Turks glas wilden en wij waren voldoende aan  hen aangepast om eenstemmig te kiezen voor een Neder-  hnds kopje want we hadden allemaal al eens zo'n loeiheet  Turks glas uit onze handen laten kukelen.
   Er leek ons weinig reden voor het alarmnummer, dus  we adviseerden Achmed gewoon het hoofdbureau te bellen. Hij kweet zich uitstekend van zijn taak, noemde zijn naam, zei dat hij uit de Brederodestraat belde en dat er  hier ineens “oude man dood op straat lieg”. Daarna hoefde hij een hele tijd niets te zeggen, dus namen we aan dat hij  doorverbonden werd. We nipten bedachtzame slokjes van onze koffie toen Achmed zich, met de hoorn in de hand, tot ons wendde en vroeg: “Wat ies, Moordbrigade?°
   Nou nee, begonnen we heftig te gebaren, dat leek ons  overdreven, dat vonden we helemaal niet nodig, daar was  geen enkele aanleiding voor, daar moest hij weer zien weg  te komen. Achmed haastte zich uit te leggen dat er geen sprake was van opzettelijk toegebracht letsel (in zijn eigen woorden weliswaar) en dat we ook al heel blij zouden met een gewone brigade. Hij scheen weer terug te geraken bij de telefoniste en mocht kort daarop het hele verhaal opnieuw doen, maar daarna leek hij het spoor bijster.
  "Wat kosten?' vroeg hij in de hoorn, om zich vervolgens tot ons te wenden waarbij hij zijn snor in een hulpeloos gebaar een paar centimeter optrok. Zo kwamen we er niet  uít, besefte ik en ik liep naar hem toe om het over te nemen.
   ...in het week-end en doordeweeks na vijf uur een toeslag van vijfentwintig procent, die. . . ,' ratelde een mannenstem aan de andere kant.
    “Hallo,' onderbrak ik.
    “... als we voor buitenlanders een tolk-vertaler moeten  meenemen, betaalt u per...”
   “HALLO!°
   “Hè?”
   “Begint U nog eens opnieuw.'
   “Waar is die Turk?° verbaasde de stem zich.
   “Die is even weg. Vertelt u het mij maar.'
   “O. Nou, ik legde net uit dat de eigen bijdrage voor het  inroepen van politiebijstand komt op vijfentwintig gulden  voor een wijkagent op de fiets en vijfenzeventig gulden  voor een surveillanceauto met twee inzittenden, en.. .°
   °Kolere,” kreet ik en ik gooide van schrik de hoorn op de  haak.





“Stelletje uitzuigers,° mopperde ome Sjoerd toen ik het  uitgelegd had.
  “Je bent net een citroen,° bromde Jaap Gijssers, maar  voor hij die vergelijking verder kon gaan uitwerken,  hoorden we geroep van buiten. “Hel” Willum zo te horen.  Ome Sjoerd liep naar het balkon en keek. “O hemel,  Stuitje is los,° zei hij. We daalden snel de trap af. Ik was  het eerst beneden.
  “Hendrik-Jan, Hendrik-Jan, wil je met me trouwen?'  hoorde ik.
   “Wat is dat in vredesnaam voor een type?” vroeg Willum  vanuit de tuinstoel met een angstige blik in zijn ogen.  Maar ik had het al gezien: de stokoude mevrouw Stuit van  drieënzestig-huis, onder ome Sjoerd, zoals gewoonlijk  met haar jurk achterstevoren, stond voorovergebogen  naast wijlen de heer Appinga, druk bezig laatstgenoemde  aanzoeken te doen, hem daarbij standvastig aansprekend  met Hendrik-Jan.
  Als de natuur volledig consequent van handelen zou  ijn, dan was de oude mevrouw Stuit vóór opa Appinga  de beurt geweest. Stuit (of Stuitje) was de vijfennegentig levensjaren al enige tijd gepasseerd. Bovendien is er een paar jaar geleden iets misgegaan in haar hoogbejaarde grijze celletjes en sinds die tijd spreekt ze, vierentwintig uur per dag, iedereen en alles liefdevol aan met 'Hendrik-Jan'.
   Ik heb ooit eens aan haar dochter gevraagd wie dat ge-  mest is, of nog is. De dochter had geen flauw idee. De man van mevrouw Stuit had - bij leven - anders geheten en in de rest van de familie kwam de naam Hendrik-Jan ook niet voor. Waarschijnlijk, gokten we toen gezamenlijk, was het de naam van een jeugdvlam die zo'n vijfenzeventig jaar geleden een prominente rol in Stuitjes leven had gespeeld.
  'Toe nou, Hendrik-Jan.' Ze had nu een hand van Appinga te pakken.
   Feitelijk hoort zo'n vrouw natuurlijk al jaren in een verzor- gingstehuis te zitten, maar ja, de inkoopsom en de eigen  bijdrage voor zo'n huisvestingsvorm kunnen door haar twee kinderen van geen kant worden opgebracht. De zoon en dochter - allebei ook niet meer zo piep - komen om de andere dag langs om haar te verschonen, het huis  te doen en een prak voor twee dagen te koken en dat is al heel wat. Alleen hadden ze nu blijkbaar vergeten goed af te sluiten. Begrijpelijkerwijs proberen ze Stuit zoveel mogelijk binnen te houden. Niet iedereen reageert immers even soepel wanneer hij op straat met Hendrik-Jan wordt aangesproken.
   Ik keek naar het groepje belangstellende straatbewoners dat zich intussen rondom Appinga°s resten en Willum-in- de-tuinstoel verzameld had en mijn oog viel op een jongen van een jaar of twaalf. Dat was de oudste van Achmed. 'Chouaib,' zei ik - het heeft me een half jaar gekost eer ik die naam fatsoenlijk uit mijn strot kreeg, dus ik zeg het tegenwoordig met enige trots -- “breng jij mevrouw  Stuit even naar haar huis en sluit je dan de deur af?°
   “Hendrik-Jan,' zei Stuitje, het hoofd nu naar mij draaiend, terwijl Chouaib haar al langzaam naar drieënzestig-huis duwde, “ben je nog kwaad op me, Hendrik-Jan?°
   Dat bedoel ik dus. Ik stelde Willum gerust dat mevrouw  Stuit nooit kwaad in de zin had, zag tot mijn geruststelling  dat hij pas aan zijn derde bier toe was en het dus nog wel  even zou uithouden, overlegde kort met de anderen die ook van Achmeds woninkje waren afgedaald en begaf mij toen op weg om via de munttelefoon in de fietsenstalling verder te telefoneren. Als de politie niet gratis wou komen, dan gingen we  naar de concurrentie.






“Heeftueenogenblikje? Dan zet ik u even onder de knop,°  zei de telefoniste van de GG & GD.
  “Nou, ik...”
   Ik zat al onder de knop. Vijf minuten later zat ik nog onder de knop. Vreselijke plek om te zijn is dat, onder de  knop. De beheerder van de fietsenstalling was erbij komen staan, liet zich uitleggen wat er aan de hand was en wou toen weten waarom ik niets meer in de telefoon zei. “Dan is ze d°r nagels lakken,° verklaarde hij met kennis  van zaken.
  Blijkbaar had ze hele lange nagels, want het duurde bijna tien minuten eer ze terugkwam en ik mijn verhaal kon doen.
  “Ik verbind u door met de Geneeskundige Dienst,' kon-  digde ze daarna aan.
  “Maar geneeskunde kan hier echt niet meer helpen. De  man ies al dood.'
 “Wat zegt u?°
  “De man ies... eh... is al dood. Geneeskunde heeft geen zin meer, wil ik maar zeggen.”
   “Ja,' zei het kalf. “Ik verbind u door.'
    Nou ja.
   Ik hoorde een onduidelijk samenspel van klikken en gekraak en daarna een nieuwe telefoniste, die zich bereid toonde naar mij te luisteren.
   “Dag, u spreekt met Schackmann uit de Brederodestraat en er ligt hier een meneer dood op straat. Kunt u die niet komen halen? Dat u een ambulance stuurt?'
   “Natuurlijk meneer. In de Brederodestraat, zei u?”
    Zo gaat-ie goed, zo gaat-ie lekker. Ik maakte een duim- omhoog gebaar tegen de bewaarder. “Ja, in de Bredero-
destraat,' bevestigde ik.
    “Komt voor elkaar, meneer. En wat is uw gironummer?'
    Ik begon nattigheid te voelen. “Hoezo?'
    “Er komt een acceptgiro voor een tegemoetkoming in de kosten van de ambulance, meneer.'
    Ik aarzelde kort. Toen vroeg ik het toch maar. Het was nog erger dan ik dacht.
    “Ja, kom nou. Dat kunnen we hier toch niet betalen.'
    “Nabestaanden kunnen de vereveningsbijdrage aftrekken van de onkostentoeslag via een C-2-formulier, meneer,' probeerde ze me te helpen.
    Ik moest even nadenken. “Maar er zijn helemaal geen nabestaanden,° reageerde ik toen op het enige woord dat ik uit die wartaal begrepen had.
    “O.',
    “Dat moet toch vaker voorkomen,' pleitte ik. “Dat er iemand opgehaald moet worden die helemaal geen familie meer heeft. Dat hebben jullie toch al eerder meegemaakt?'
    “Eh..., ja. Dat is eerder voorgekomen, meneer, maar...°
    “Aha,° riep ik.
    “Maar als niemand betaalt kunnen we daar met de bezui-nigingen geen ambulance aan spenderen. Dat gaat dan gewoon met de bestelwagen.”
    Daar kon ik niet mee zitten. “Al komen jullie met een
bakfiets. '
   “Meneer De Waal gaat over lijkverzorging minvermogen- den. Ogenblikje, dan verbind ik u door.' En er kwam weer een serie onduidelijke klikken en kraken.
    De beheerder van de fietsenstalling had het met belang-
stelling gevolgd en tikte mij op de schouder. “Wat kost dat
nou? Een ambulance laten komen?” informeerde hij. “Ge-
woon voor de nieuwsgierigheid.'
    Ik zei het hem. “Tsss,” zei de man en hij rolde met z'n
ogen. “Tis toch wat. Een mens durft tegenwoordig geen- eens meer een ongeluk te krijgen.”
    “Met het bureau van De Waal,' hoorde ik een jonge vrou- wenstem. Omdat ik de indruk had gekregen dat er
schot in de zaak kwam, was ik inmiddels een beetje jolig
geworden.
    “Dag bureau,° riep ik. “Mag ik De Waal zelf?”
    “Meneer De Waal is nèt even weggegaan,° zei het bureau.
   “O. Het gaat namelijk hierom, dat er ee. ..'
    “Meneer De Waal kan zo weer terug zijn, dus als u straks nog een keertje wilt bellen.. .”
    “Nou, hij hoeft alleen maar met z°n bakf. _.'
    “. .. dan krijgt u hem zeker te pakken. Goedenmiddag.”
    Nouja. We waren in ieder geval een heel stuk opgescho- ten. Ik lichtte de beheerder in over mijn vorderingen en we verlieten samen de fietsenstalling met de heuglijke mede- deling dat er voor ons soort mensen toch ook hulpverlening bestaat.




app




Op straat was niets veranderd. Dat de oude opa Appinga niet bewogen had hoefde geen verbazing te wekken, maar de rest scheen er ook nog net zo bij te staan als daarstraks. Alleen werd het steeds drukker. 's Middags hebben we nooit zoveel te doen, 's morgens en 's avonds trouwens ook niet, en als er dan iets gebeurt, dan willen we graag erbij gaan staan en er eens diepgravend over dóórpraten.
   “Zo ben je d”r nog en zo leg je dood op straat,° zei net iemand om de stilte te vullen.
   Alles bij elkaar stonden er, naast de eerstaangekomenen ome Sjoerd, Achmed en Jaap Gijssers (die van die cigarenwinkel), een stuk of twintig mannen naast de stoffelijke resten van onze voormalige straatgenoot.
   “Ik heb een zwager gehad, die ging ook zo,” meldde een andere. “Gaf m°n suster een soen, stapte de deur uit op weg naar z”n werk en... pláts, daar laggie.”
   Weer een stukje stilte weggewerkt. Ik kwam tussenbeide en deelde mee dat ik erin geslaagd was binnen het ambtelijk apparaat de afdeling te traceren die ging over lijken van vijfentachtigjarige meneren naast vuilniszakken.
   “De Waal, zei je?” werd er gevraagd. Het zei niemand iets. Logisch natuurlijk, je hebt niet elke dag met lijktransport van minvermogenden te maken.
   “Dus als er zometeen nog iemand een kwartje spendeert, dan komt het voor elkaar,° besloot ik. De beheerder van de fietsenstalling bood aan dat meteen te gaan doen, de rest knikte zonder vreugde en wipte wat houterig van het ene been op het andere. Ze hadden nu een tijd tegen de uitgestrekte Appinga aan staan kijken en daar kregen ze eigenlijk een beetje genoeg van.
   “De student,” zei ome Sjoerd ineens. We keken verbaasd, niet gewend als we zijn aan al te scherpe invallen van zijn kant. “De student die hier daarnet was,” ging ome Sjoerd verder, “die weet vast wel wat je in zo”n geval moet doen.” Hij draaide zich om. “Ga jij effe die student ophalen die hier aan het begin woont. Die met die lange jas en dat steile haar, die altijd voorbijkomt op z'n fietsje, je weet wel.”
   De laatste zinssneden waren gericht tot het eerste vrouwelijke element dat zich bij de rouwenden voor nummer vijfenzestig had gevoegd. Nou, vrouw... hard op weg om het te worden, want Kitty, daar heb ik het dus over, de oudste dochter van ome Sjoerd, is pas vijftien, maar ziet er aan alle kanten al uit om over naar huis te schrijven. Tenminste, als je houdt van rechtopstaand oranje geverfd haar, pikzwart geschilderde ogen, een voornamelijk zwarte outfit met daarop een aantal zilverkleurige kettingen, en een leren jack waarop naast een aantal mededelingen aangaande de punk-levensfilosofie een hoeveelheid godslasteringen staan waarvan een atheïst zou gaan blozen. Persoonlijk hou ik er wel van, al ben ik er natuurlijk veel te oud voor, en als ik niet zo gelukkig getrouwd waš zou ik er vast wel eens van dromen. Zoiets fleurt een grauw straatje als dit op.
   “De Waal,” meldde de juist terugkerende fietsenbeheerder, “De Waal was er nu wel. Maar hij was in gesprek op een andere lijn, dus ik heb met z”n bureau gepraat.”
    Ik knikte, die kende ik.
    “Ze zou een briefje neerleggen dat hij ons straks terug moest bellen.”
   Ik nam het voor kennisgeving aan en loerde tersluiks op mijn horloge. Straks zouden de vrouwen terugkomen en daar had ik hoge verwachtingen van, want die zijn in veel alledaagse zaken toch een stuk handiger en doortastender.
   Het is gebruikelijk dat wij het op woensdagmiddag van één tot half vier zonder de vrouwen moeten stellen. Dat komt zo. Wijzelf, de mannen in de straat, hebben de afgelopen kabinetten al helemaal geen werk meer gezien, behalve in officiële werkgelegenheidsstatistieken, en ik zou - met uitzondering van Kitty die nog op school zit en de student die waarschijnlijk een studiebeurs heeft - niemand uit het gezelschap kunnen noemen die niet in de uitkering zit. Bijklussen gaat nauwelijks, want zoveel werk is er gewoon niet. Alleen de vrouwen verdienen iets door één middag per week scholen schoon te maken en daarvan mogen we een gedeelte houden als extraatje naast de Bijstand.
   Voor ons zijn die woensdagmiddagen niet zo'n probleem, voor de vrouwen ook niet, geloof ik, want die komen er zo nog eens uit, maar voor de Sociale Dienst is het een ramp. Om in de peiling te houden of de door ons opgegeven uren wel kloppen, moest de controledienst drastisch uitgebreid worden en er komt nu dagelijks - meestal rond deze tijd - een controleur kijken of we niet stiekem toch iets doen wat op werk lijkt.
    “Urrpps,° hoorden we achter ons. We vatten die boer van Willum op als een teken dat hij door zijn pils heen was en dat we, als we nog langer op zijn medewerking wilden rekenen, voor aanvulling dienden te zorgen. Jaap Gijssers was al op weg naar boven.
    “Nou,' zei Willum, “nog eentje dan.. .°






Toen gebeurde er ineens van alles tegelijk. Jaap Gijssers kwam met zijn armen vol pilsflessen de deur uitzetten, Kitty was ons tot vlakbij genaderd in gezelschap van de student - die ze blijkbaar midden in zijn studie had overrompeld, want hij had in zijn ene hand nog een boek waarin een nauwgezet vingertje stak om aan te geven op welke bladzijde hij gebleven was - en voor ons groepje stopte met piepende remmen een ietwat protserige auto.
   “O, daar heb je dat sekreet ook,' zei Jaap Gijssers. De student stond geschrokken stil omdat hij dacht dat hij bedoeld werd en dus klaarblijkelijk niet welkom was, terwijl uit de protserige auto het werkelijke mikpunt van Jaap Gijssers venijn stapte, de huisbaas.
   “Ik heb gehoord dat er hier een woninkie leegkwam,” zei hij. Je vraagt je af wat voor soort onderlinge tam-tam die kerels tot hun beschikking hebben.
    We kregen ter plekke allemaal een spontane bloedneus, dat wil zeggen: we wisten van geen vrijkomende woninkies af, die papieren over de huurverhoging hadden we nooit gekregen, zeker zoekgeraakt bij de post, dat de kraker op vijfentachtig een neef was van Jaap Gijssers konden wij niet weten en hoe die het pand binnengekomen was snapten we ook niet. Het acceptgirootje over de maand mei waren we vergeten op de bus te doen en dat van die huurachterstanden moesten we eerst thuis nakijken en daar zouden we dan zo gauw mogelijk iets over laten horen. En de naam, indien daarover geïnformeerd mocht worden, was Haas dus.
    Voor Hoogeveen, zo heet de eigenaar van dit stukje straat, zijn zulke reacties niets nieuws. Je moet ook geen huisbaas worden in een oude arbeidersbuurt als je geen olifantehuid hebt. Dit exemplaar was een klein fel ettertje van achterin de veertig, die ooit begonnen was als uitbater van een snackbar en die daar - ongetwijfeld door met zijn kroketten te knoeien - genoeg aan had overgehouden om in onze straat een stevig huizenbezit op te bouwen. Een vettige kuif, een brilletje om overheen te kunnen kijken en een getailleerd pak dat hem waarschijnlijk goed gestaan zou hebben als hij twintig jaar jonger was geweest.
   Met een korte knik in de richting van Appinga prevelde hij iets over “condoleances” terwijl hij opstoomde in de richting van de nog steeds openstaande deur van vijfenzestig. Maar Jaap Gijssers ging pal voor hem staan en wendde zich over Hoogeveens hoofd heen tot ons. “Ik heb nog eens gebeld. De Waal was net weer even weg, maar zou zo terugkomen. Ze heeft nu ook op zijn stoel een briefje neergelegd dat hij ons terug moet bellen en dan kwam het zeker goed. En wie wil er nu een pilsje?'
    Het was pijnlijk duidelijk dat deze - verder algemeen gestelde - aanbieding niet gold voor Hoogeveen, want Gijssers keek straal over hem heen. Drie pilsflessen had hij al met een opener op de schoot van Willum gedeponeerd en de rest hield hij uitnodigend voor ons op. Enkele aanwezigen pakten dankbaar een koel flesje aan, maar ikzelf vond het verstandiger de situatie nuchter te blijven bekijken. Ik ken hem, en ten aanzien van de categorie huisbazen is Jaap Gijssers linker dan een Sherman-tank.
   “Ik moet even boven wezen,” zei Hoogeveen, na tevergeefs geprobeerd te hebben eerst links en toen rechts langs Gijssers het portiek in te glippen.
   “Aaahl Daar is de jongeman die ons vanmiddag al eerder heeft geholpen,° riep Jaap Gijssers, terwijl hij met nog steeds enige pilsflessen onder zijn linkerarm geklemd, de student met de andere hand naar zich toe noodde. Het studiehoofd had de gebeurtenissen tot nu toe wat afstandelijk gadegeslagen, maar werd nu door Kitty licht in de rug opgeduwd zodat hij in het centrum van de be- langstelling kwam te staan.
    “Ik wou d'r langs,” gromde Hoogeveen.
    “We hadden gedacht,” sprak Jaap Gijssers tegen de student, “u heeft medische kennis en u weet wellicht welke actie wij moeten ondernemen nu Appinga hier overleden is.' En hij wees naar beneden.
    “Man ies dood. Wij nu opruimen?° voegde Achmed verduidelij kend toe. De student, zo bleek al snel, wist het allemaal ook niet. Hij studeerde weliswaar iets in de medische hoek, maar dat mocht dus absoluut niet verward worden met medicijnen, want wat hij studeerde was... en toen noemde hij een woord dat de meesten nog nooit gehoord hadden. Na enige verklaring werd echter wel duidelijk dat het iets was waarvan je geen dokter werd , maar hoogstens apotheker. Hij was trouwens net heel druk voor een tentamen aan het studeren toen deze vriendelijke jongedame (hij wees op Kitty, die erbij was blijven staan om te voorkomen dat hij zich achterwaarts uit de voeten zou maken) hem was komen halen en als we hem misschien niet zo heel erg hard nodig hadden, dan zou hij graag weer verder gaan met de voorbereidingen, want het scheen dat juist dit tenta- men...
    “Maar jullie komen toch wel eens bij dooien?” vroeg ome Sjoerd, die meestal vrij direct is in zijn formuleringen. Dat gaf de student toe. Hij had juist afgelopen jaar een maand stage gelopen in het academisch ziekenhuis en niet alle patiënten die hij toen gezien had zouden dat na kunnen vertellen.
   “Zeg, nu ik jullie toch allemaal tegelijk tref...' begon Hoogeveen, die zijn pogingen om langs Jaap Gijssers naar Appinga's woning te sluipen tijdelijk had opgegeven.
    “En wat deden jullie dan als er een het loodje lei?' vroeg Jaap Gijssers er dwars doorheen. Ik had bewondering voor die manoeuvre, want ik kon zo'n beetje aanvoelen welk onderwerp de heer Hoogeveen had willen aansnijden. Afgelopen voorjaar was het nogal regenachtig geweest en ergens half april waren een aantal dakgoten rond de nummers 37 en rond de 42 gaan lekken. We hadden de huisbaas toen een brief op poten geschreven, waarop nooit gereageerd was (wat we ook niet verwacht hadden), zodat we er inmiddels zelf wat aan hadden gedaan. Maar daarna was het ons collectief volledig door de kop geschoten om de huur voor de maand mei over te maken en ik had het idee dat Hoogeveen daar nu graag op wilde terugkomen.
    Jaap Gijssers voelde die bui ook hangen, had er helemaal geen zin in en bleef Hoogeveen consequent negeren. De student ondertussen, verhaalde verder over zijn stage in het academisch ziekenhuis. Daaruit bleek dat zijn bemoeienissen ophielden wanneer de dienstdoende arts de dood had geconstateerd. In zo°n geval, vertelde hij, trok de arts een laken over het hoofd van de overledene en begaf zich vervolgens spoorslags, met de stageair in zijn kielzog, naar de nog wel levende patiënten.
   “Dat met dat laken kunnen wij ook,° zei ome Sjoerd. Hij wendde zich opnieuw tot zijn dochter. “Ga jij es van boven een laken halen,' beval hij. Kitty draaide zich om en ging op weg. Een van de met viltstift op haar jack gekalkte spreuken gaf ongeveer aan hoe we over de huisbaas dachten: “Jezus komt... haal hamer en spijkers.”
   Hoogeveen was er tijdens de nu ontstane pauze in geslaagd “Waar ik het nodig met jullie over moet hebben...” te zeggen, voordat Jaap Gijssers een nieuwe vraag voor de student bedacht had.
    “Denk je dat we het kunnen maken om 'm naar boven te sjouwen?” vroeg hij.
    De student keek bedenkelijk. “Als jullie dat meteen gedaan hadden, was het een stuk makkelijker geweest," zei hij. “Hij begint nu stijf te worden en dat blijft hij de eerste uren nog wel.”
    “Pááá,” klonk het vanaf het balkonnetje van drieënzestig-éénhoog, “moet het een boven- of een onderlaken wezen?”
    “Boven...? Onder...?' Ome Sjoerd keek verbaasd. Toen wendde hij zich omhoog tot zijn dochter. “MENS, WAT... KAN... DAT... NOU... VER-ROT-TE!!!" We deinsden allemaal wat achteruit. Ome Sjoerd kan nogal een krachtige stem opzetten. Bij de thuiswedstrijden van SVW gaan we altijd een eindje bij hem vandaan zitten, want het volume waarmee hij aanwijzingen naar de spelers pleegt te roepen is eigenlijk meer geschikt voor zo'n grote kuip met vijftigduizend andere mensen erin, dan voor zo'n klein terreintje als van SVW en er heeft al een keer een scheidsrechter een wedstrijd onderbroken om aan de kant te komen vragen of het alsjeblieft een beetje minder kon. Maar dit terzijde.
    Kitty wou al weer naar binnen toen ome Sjoerd bedacht dat hij geen ruzie met zijn vrouw moest krijgen. “Neem wel een ouwetje,” voegde hij toe.
    De student maakte aanstalten om er vandoor te gaan, maar zonder een woord te zeggen ontkurkte Jaap Gijssers een flesje bier en drukte hem dat in handen. Dat gebaar wou zeggen: we zitten hier volgens het “Samen-uit, samen-thuis”-principe en daar heb jij je ook naar te schikken.
    De student begreep die diepere betekenis. Gelaten legde hij het studieboek, dat hij nog steeds in zijn hand hield, op de stoeprand en manmoedig begon hij van zijn bier te nippen.
    “Uit mijn administratie is me gebleken...” meldde Hoogeveen.
    “Dáár heb je Kitty met een laken!° riep Jaap Gijssers. De student zette snel zijn flesje neer en hielp Kitty om het laken, inderdaad een oudje, over het stoffelijk overschot van opa Appinga te draperen.
    “Dat hebben ze met mijn zwager ook gedaan toen-ie dood neerviel,° zei een straat- bewoner, om aan te geven dat het goed was wat we deden.
    Een andere straatbewoner kwam net weer te voor- schijn uit de fietsenstalling, vanwaar hij de Geneeskundige Dienst had gebeld en begon daarvan verslag te doen: “Ik zeg “Is die druiloor er weer niet?” en ze zegt “Als u daarmee meneer De Waal bedoelt...” Ik zeg “JA!”; ze zegt “Die is er wel, maar net in bespreking gegaan” en toen bedacht ik wat, dus ik zeg “Als jullie anders Appinga nu komen halen en we regelen dat morgen met die De Waal over de kosten?” Nououou. .. of ik voorgesteld had dat ze haar broek moest laten zakken...'
    “Ze zijn altijd zo bang dat ze d'r centen mislopen, hè,” wist een andere straatgenoot.
    “Willen ze dan niet gewoon komen?' vroeg de student, die het allemaal niet zo kon volgen. Nou, dát gingen ze hem uitleggen en daarmee hadden ze voorlopig wat om over te praten.





Ik dacht dat ik wel even gemist kon worden en ging er vandoor om nog iets anders via de telefoon te proberen. Politie is te duur, een ambulance valt al helemaal niet te betalen en lijkverzoring minvermogenden houdt zich schuil; dan blijft er maar eentje over.
    “Met de brandweer.' Dat zijn altijd de aardigsten. Ik legde het hele verhaal voor aan een kalme donkere mannenstem, zo'n stem die gewend is paniekerige mensen aan te horen die net de oliekachel hebben zien omvallen of de vlam in de pan hebben zien slaan.
    'Laten we de dingen nog eens rustig op een rijtje zetten,” zei de kalme donkere mannenstem toen ik uitgepraat was.
    “Ja,' zei ik.
     'Er staat niets in de brand...'
    “Nee,' zei ik.
    “Er is geen kat in een hoge boom geklommen die er niet meer uit durft...'
    “Nee,” zei ik.
    “Er hangt geen verdacht luchtje dat naar gas ruikt...'
    “Nee,' zei ik.
    “Er hoeft geen deur opengebroken te worden omdat we denken dat de bewoner iets overkomen is. ..'
    “Neef zei ik.
    “En er hoeft geen auto uit de dichtstbijzijnde gracht gehaald te worden. . .'
    “Nee,° zei ik.
    “Wat moet u dan met de brandweer?' Ik wist het eerlijk gezegd ook niet. “Ik probeer u alleen maar geld te besparen,' ging de stem door. “Ik wil u met alle liefde een ladderwagen of een brandspuit sturen, maar dan bent u al gauw zo'n vijftig gulden eigen bijdrage bluskosten kwijt en als de mannen dan komen en er ligt alleen iemand dood op straat... Ze kunnen hem moeilijk op de ladder binden... dus dan komen ze gewoon weer terug naar de kazerne en dan bent u nog niets wijzer.” En alles met zo”n kalme donkere mannenstem waar de sympathie van afdroop.
    Dus ik dankte hem hartelijk, wenste hem een aangename dienst verder en rondde deze verdienstelijke maar vruchteloze poging af door op te hangen en weer naar buiten te gaan.





Daar was het intussen hommeles. En precies zoals te verwachten viel: Jaap Gijssers had levensgrote mot met de huisbaas. Het is altijd hetzelfde, licht je even je hielen en ze vliegen elkaar naar de strot.
    “Zeg tegen hem dattie niet. .. naar... binnen... gaat,' hoorde ik toen ik aankwam Jaap Gijssers heel erg dreigend zeggen. Het was op het oog een zogeheten “indirecte” opmerking, wat inhield dat de anderen nu tegen de huisbaas moesten zeggen dat hij niet naar binnen moest gaan. Gijssers was middenin de kring gaan staan en Hoo- geveen bevond zich inderdaad al akelig dicht bij de ingang van het portiek waar de oude opa Appinga had gewoond.
    “De man,” Jaap Gijssers maakte een dramatisch gebaar naar het laken waaronder Appinga rustte, “de man is nog niet koud, of deze vampier. . .' Hij liet de rest van de zin in de lucht hangen, maar het effect bleef duidelijk.
    “Ik vind het eigenlijk ook geen stijl,' liet de snel beïnvloedbare ome Sjoerd weten en Achmed viel hem met een “les niet koet° bij.
    “Lig niet te zeiken,' snauwde Hoogeveen. “Ik moet toch kijken hoe die woning er bij ligt? Ik ga straks nog een advertentietje opgeven voor de ochtendkrant. Als er gega- digden komen moet ik ze toch een indruk kunnen geven?'
    “Hij bedoelt,” legde Jaap Gijssers uit, “hij bedoelt dat hij boven wil gaan kijken wat er te halen valt. Welke aangebrachte verbeteringen hij kan doorberekenen in de huur en hoeveel hij de woningzoekenden aan sleutelgeld kan gaan vragen voor de spulletjes die de arme man (weer een gebaar naar het laken) in de woning heeft achtergela- ten..."
    Precies wat ik al zei: zet Jaap Gijssers naast een huisjes- melker en er liggen GROTE CONFLICTEN op de loer. Nu meende hij genoeg gestookt te hebben en achtte hij de tijd gekomen een korte stilte in te lassen. Hij staarde, na een hand onder zijn kin gebracht te hebben, in de richting van het eerder door hem aangeduide laken. Enkele straatbewoners begonnen een stukje op te rukken richting Hoogeveen. Die besefte dat hij alleen wat kon bereiken als hij er in slaagde met de spreker zelf in contact te komen.
    “Mijnheer Gijssers,° zei hij op gesprekstoon. Geen reactie.
   “Mijnheer Gijssers,' herhaalde Hoogeveen, nu met een stem waarin dan wel geen vogeltjes doorklonken, maar toch wel begrippen als “volwassenen onder elkaar” en “mogelijk percentje minder huurverhoging volgend jaar'. Het was een alleszins verdienstelijke poging, maar ik wist dat het niets zou worden. Jaap Gijssers praat niet met huisbazen. Schrijven wel. Dat wil zeggen, hij láát ze af en toe een brief schrijven door de jongelui van de Rechtswinkel. Maar praten... Nee.
   “Urrpps,” zei Willum. Dat ging snel, maar we hadden het nu even te druk om ons met hem bezig te houden.
    Hoogeveen had gemerkt dat vriendelijkheid niets ople- verde en werd weer zichzelf. “Moet je horen, stelletje wanbetalers,” blafte hij. “Is het mijn huis of is het niet mijn huis? Zou ik alle-jezus niet eens mijn eigen pand in mo- gen?"
    Op dat moment werd hij aan zijn mouw getrokken. “Hendrik-Jan, hou je nog van mij?” lispelde een stem te- gen hem.
    Hoogeveen kwam niet verder dan hoogverbaasd kijken naar het oude besje aan zijn zijde.
    Ome Sjoerd brulde meteen: “Wie heeft háár losgelaten?" en ik keek dreigend om me heen of ik Chouaib zag. Die stond inderdaad vlakbij. “Wat? Wat? Wat?!?" vroeg ik hem. Het joch maakte een verontschuldigend gebaar. “Ik kon alleen de deur dichttrekken,° zei hij. “Ik had geen sleutel om af te sluiten, dus dan kan ze er zo weer uit.” Ik wou tegen hem gaan uitvaren, maar ik zag uit mijn ooghoeken Achmed dichterbij schuiven en ik weet dat Achmed het helemaal niet leuk vindt als er dreigend naar zijn kinderen gekeken wordt, dus ik besloot het er verder bij te laten, aaide Chouaib over zijn bol en mompelde dat hij er eigenlijk ook niets aan kon doen.
    “Kit-tyy,° riep ome Sjoerd, “breng die ouwe naar haar huis.” Maar Kitty vond dat ze vandaag al genoeg om een boodschap gestuurd was. “Mag van mijn vader niet met vreemde vrouwen mee,” zei ze. Lekkere drol, dacht ik bij mezelf. Benieuwd hoe ome Sjoerd dit gaat oplossen. Maar ome Sjoerd loste helemaal niets op. Hij werd alleen een beetje roze in zijn gezicht.
    Hoogeveen dacht blijkbaar dat deze verwarring wel goed uitkwam, want hij glipte enkele decimeters in de richting van de voordeur en de enige, natuurlijk, de enige die hem in de gaten had, uiteraard, hoe kon het anders... Jaap Gijssers.
    “Als die ET-TER-BUIL,' begon hij. “één poot BIN-NEN in dat huis.. .”
    “Hé-hé, hé-hé,° weerde Hoogeveen af.
    “Dat heb ik nooit zo bedoeld, Hendrik-Jan,° zei mevrouw Stuit, die opnieuw de mouw van Hoogeveen te pakken had gekregen.





Het leek me nu nodig zelf een actieve rol te spelen anders zou dit op lijfelijk geweld uitdraaien. Dus ik zei tegen Hoogeveen: “Ja, dan had je maar een vak moeten leren” en begon hem in de richting van zijn auto te duwen. Daarna wenkte ik Achmed en gaf hem de kraag van de oude mevrouw Stuit in handen om te kijken of hij handiger was in het opbergen van confuse oude vrouwen dan zijn zoon.   Omdat ik toch bezig was, deed ik gelijk Jaap Gijssers het verzoek nog eens te bellen, dan kon hij meteen afkoelen. Hoogeveen volgde, zij het stribbelend, mijn advies. Hij stapte in zijn auto en reed weg, hopelijk om een vak te gaan leren, en Achmed begon Stuit naar drieënzestig-huis te verplaatsen.



Toen Jaap Gijssers had gezien dat Hoogeveen werkelijk wegreed, verliet ook hij ons tijdelijk en daarmee was het tafereeltje eventjes tot rust gekomen.
    `Urrpps,' zei Willum.
    We hadden hem één keer genegeerd, maar een tweede keer zou ons niet lukken. Ik begon overigens bewondering voor die vent te krijgen. We hadden hem - ik keek op mijn horloge - de laatste anderhalf uur zeven halve liters voorgezet die nu spoorloos verdwenen waren. Blijkbaar ontgaan mij nog heel wat van zijn pelgrimstochten naar de middenstand.
    Jaap Gijssers kwam de fietsenstalling al weer uit. “De Waal,' verklaarde hij, “De Waal was nèt weg. Ze heeft nu ook een briefje op zijn schrijfmachine gelegd en ik heb voorgesteld dat ze een briefje op zijn agenda plakt en eentje over de foto van zijn gezin, een briefje op de wc voor als hij moet poepen en een briefje op haar rug voor als hij probeert achter haar langs te sluipen." Ik kreeg bijna medelijden met De Waals medewerkster.
    “Maar hij was dus weer nèt weg,” herhaalde Jaap Gijssers.
    “Je zou jezelf toch bijna een ongeluk begaan aan die gasten,” reageerde ome Sjoerd.
    “Ambtenarij , hè,” verduidelijkte een straatbewoner.
    “Dat heb ik gemerkt toen ik in de tuin een schuurtje voor de duiven wou bouwen.”
    “Ik had een oom die ambtenaar was,' vulde een andere aan. “Die was z”n hele leven nèt even weg. Op een gegeven moment heeft m'n tante toen een advertentie in de krant gezet. Onder ““gezocht". En daar...”
    “Urrpps,° onderbrak Willum. Jaap Gijssers keek vragend om zich heen. Zo te zien had hij nu zijn ijskast helemaal leeg en vond hij dat er een ander aan de beurt was. Het bleef stil, niemand had echt zin om zijn drank in deze put te gooien.
    “Hadden jullie de politie al geprobeerd?° vroeg een straatgenoot die er zojuist bijgekomen was.
    “Die willen pas komen als wij vijfentwintig gulden eigen bijdrage betalen,” legde ome Sjoerd uit.
    “Crisis hè, crisis,” zei een straatbewoner die de kranten goed las, “daar moeten we allemaal een steentje aan bij- dragen.”
    Jaap Gijssers keek de man vuil aan.
    “Urrpps,° zei Willum. Van achteren kwam iemand met een suggestie: “Als we nou eens met z°n allen lappen tot we vijfentwintig gulden bij elkaar hebben...' begon hij.
    Iedereen schudde verontwaardigd van “nee°. Geen den- ken aan, het leven is al duur genoeg. Ze plukken ons van alle kanten, ze verzinnen steeds weer iets nieuws waar ons zuurverdiende geld aan opgaat. We betalen ons blauw aan allerhande heffingen en kortingen, we weten van armoede zelden hoe we de maand uit moeten komen. Zouden we dan ook de politiekas nog eens moeten gaan spekken?
    “... en daarvoor een kratje pils halen om op te drinken terwijl we overleggen wat we moeten doen,' maakte hij zijn voorstel af.
    Kijk, daar viel over te praten. De zon stond niet meer op zijn hoogst, maar het was nog steeds vrij zwoel en een koud pilsje gaat er hier meestal wel in. Bovendien was het gezelliger voor Willum, dan hoefde hij niet alleen te drin- ken. Iedereen lapte wat, al waren het weinig lapjes en voornamelijk munten, maar de inzamelaar leek tevreden, want hij incasseerde en ging op weg naar de zuivelhandel.
    "Och,” zei Willum, “als jullie aandringen.. .”





Iemand was zo kies geweest om voor Achmed een pakje sap te halen (vanwege zijn godsdienst mag hij natuurlijk niet drinken) en de rest had een flesje bier gepakt. We werden alleen een beetje moeiig van het gehang. De stu- dent scheen zich toch oprecht zorgen te maken over zijn tentamen en was met zijn studieboek op de stoeprand gaan zitten, maar de anderen voelden er niets voor hun goede goed aan de trottoirtegels te wagen. Het is hier maar een gewone arbeidersbuurt en toen er een eigen bijdrage voor de stadsreiniging werd ingevoerd, was dit een van de eerste straten die uit de boot viel.
    Een paar mensen hadden zitplaatsen gevonden in de vensterbanken van de benedenhuizen. Iemand had geprobeerd op de leuning van Willums tuinstoel te zitten, maar die was akelig gaan wankelen en na protesten van Willum had de man plaatsgenomen op het net gearriveerde krat pilsflessen. Kitty had een van de metalen kettingen van haar kledij geplukt en Achmed was even naar boven om gereedschap te halen zodat ze met die ketting de deur van de oude mevrouw Stuit konden afgrendelen.
    De rest begon aan een gesprek op niveau. Vanuit een vensterbank opende iemand de discussie met: “Evenzo- goed is het een mooie dood. Me eigen vader ging heen met kanker en die heb twee maanden liggen doodgaan.”
    Nu stond de deur natuurlijk wagenwijd open voor zo'n beetje elke anecdote met betrekking tot ziekte en overlij- den. Een oudere straatgenoot begon uit te wijden over zijn belevenissen in diverse ziekenhuizen en eindigde met de opmerking dat Appinga zich gelukkig mocht prijzen dat hij niet “in handen van de heren doktoren° was gevallen. De student deed wijselijk of hij niets hoorde. “Ze snij den je helemaal open en zetten de stukken in een pot met sterk water,' wist iemand.
    “Hoeft niet,' dacht Jaap Gijssers, kijkend naar de volle vuilniszak naast Appinga, “dat sterk water zit er van z°n eigen al in.'
    We houden er hier van onze onderwerpen volledig te behandelen, dus de eerste spreker vertelde verder wat er mankeert aan behandeling in een hospitaal, een ander roemde de door Appinga bereikte leeftijd als “gezegend” en ome Sjoerd constateerde nogmaals dat de oude niet ge- leden had.
    “Zo is een zwager van mij ook gegaan,” kwam de volgende. “Gaf mijn suster een soen, stapt... eh... uit de deur op weg naar zijn werk... enneh... enneh... Plàts... eh... daar... lag-gie??”
    De man was gaandeweg steeds weifelender gaan praten omdat hij uit de reacties om hem heen de indruk kreeg dat hij dit verhaal al een keer gehouden had. Ome Sjoerd zag zijn rode hoofd en redde hem: “Ga jij nog eens bellen, joh.'
    “Kijk, daar heb je die overjarige Hell's Angel op zijn mobylette,” zei Jaap Gijssers. Zoals gewoonlijk om deze tijd van de dag kwam de controle-ambtenaar van de Sociale Dienst de straat binnenrijden om te kijken of we wel helemaal niets deden. Ondanks het warme weer was hij in bedrijfskleding (een lange leren jas, waaruit nog net een stukje van een notitie-bloc stak) en hij bereed een brommertje van het type waarop de dienst moest overschakelen toen de Solex-en schaars waren geworden.
    We keken zwijgend hoe hij naar de kant stuurde. Hij monsterde snel het gezelschap of er niet eentje miste.
    “Kratje pils?” vroeg hij. Je zag hem in gedachten uitrekenen wat dat kostte en waar we het van deden. Hij wou net gaan vragen wat we daar allemaal aan het doen waren, toen Achmed zijn huis uitkwam. “Goedenmiddag, meneer Gunagochemenu zei hij. Je hmt van die kerels zeggen wat je wilt, maar hun talen spreken ze. “Wat was u met die hamer van plan?”
    “les voor jeuk op rug,” antwoordde Achmed en zonder de man aan te kijken liep hij door naar drieënzestig-huis waar hij met behulp van hamer, spijkers en Kitty de ketting in de deur van de oude mevrouw Stuit sloeg. De controle-ambtenaar keek het even aan, oordeelde dat het niet onder “Betaald werk” of “Te verrekenen bijverdiensten' viel en wou toen alsnog van ons weten wat we daar stonden te doen.
    We proberen altijd zo weinig mogelijk tegen die kerels te zeggen, want voor je het weet zeg je iets waar je in je uitkering op teruggepakt wordt, dus zonder een woord trok Jaap Gijssers het laken een eindje weg.
    "Verrek, dat is de oude opa Appinga,” zei de controleur, die zijn klantjes heus wel kende.
    "Ja,` zei ik. Dat leek me nog wel veilig om te zeggen.
    Op dat moment kwam de straatgenoot die was wezen bellen uit de fietsenstalling. Hij was duidelijk witheet van woede.
    “Ze zeiden, ze zeiden...” hij kon van verontwaardiging bijna niet uit zijn woorden komen, “ze zeiden dat De Waal nu weg was en dat ze niets voor ons konden doen omdat ze na half vier geen aanvragen meer in behandeling nemen. Ze zeiden, ze zeiden... Ze zeiden dat het dus onze eigen schuld was...," hij moest kort ademhalen, “omdat we dan maar eerder hadden moeten bellen.'
    Het bleef een volle minuut doodstil. Toen barstten links en rechts knetterende vloeken los.
    “We hebben niets anders gedaan dan aan de telefoon hangen,' merkte iemand terecht op.
    “Doorgestoken kaart,' dacht een ander hardop, “als ze d'r geld niet zien, gaan ze treiteren."
    Een oudere straatgenoot maakte een vaag gebaar in de richting van het park. “Als het aan de Goudkust geweest was. ..° hij doelde op de beter gesitueerde wijk aan de andere kant van het park, “dan waren ze d'r met gillende sirenes op af gereden.' De volgende onderstreepte die visie: “Ze moeten altijd ons hebben.”
     Alleen Jaap Gijssers leek in het geheel niet verbaasd. Hij maakte met zijn hand een gebaar of hij een laken glad- streek. “Zo zij-ij-ijn ze,° sprak hij.
    “Ja maar...” ome Sjoerd was des te meer aangedaan. “Wat willen ze dan? Willen ze dat we die man gewoon maar laten liggen zo? Dat kan toch niet? Dat is toch.. . Dat is. .. dat is...” Hij kon het niet goed onder woorden brengen. “Dat is toch geen gezicht,' eindigde hij een beetje slapjes.