De BV Zusters Diaconessen

Ik_en...
Hieronder een deel van de tekst vanmijn_gereedschap het in 1990 uitgekomen boek De BV Zusters Diaconessen.
Het behoort tot de afdeling 'jeugdzondes', maar ik blijk wel van de vorige twee boeken geleerd te hebben.
Het is redelijk strak, al vind ik zelf Genoeg Gesold wat beter in elkaar zitten.





Zusters


Jaap Gijssers had een vlekje op zijn long. Misschien had dat vlekje er altijd al gezeten, en dan was er niets aan de hand. Maar als dat vlekje zich pas kort geleden in de borst van de voormalige cigarenboer had genesteld , kon het wel eens de voorbode van een ernstige kwaal zijn.
      Op de foto hadden ze het niet goed kunnen zien. Het was wel behoorlijk donker geweest daar. “Rookt u veel?' had de laborante gevraagd. Bij wijze van antwoord had Gijssers kort gehoest.
     Het vlekje zou nader onderzocht moeten worden en dat kon alleen als Gij ssers voor enkele dagen zijn intrek nam in het ziekenhuis. Ome Sjoerd vergezelde hem. “Even een vlekje wegwerken,° zei hij. Dergelijke grapjes waren bedoeld om Gijssers op te beuren.






“Kwam u voor de klasse-afdeling? was de eerste vraag van
de receptioniste geweest.
Jaap Gijssers had haar alleen maar aangekeken.
'O,” had ze geconstateerd, met een gezicht of er iets vies
langs haar slokdarm kroop, “ziekenfonds.”






Het verslag van dat intake- gesprek kwam tot ons via ome Sjoerd. Die was in de loop van de middag geheel ontdaan in ons straatje teruggekeerd. “Wat een zooitje,' vatte hij hoofdschuddend samen. Waarna hij gedetailleerd verslag ging doen. “We kwamen beneden bij de portier, die zat in zo'n glazen hokje, met een pet op, en we zeggen tegen die man...'
     Ik leunde tegen een muur in het besef dat dit even kon duren. Ome Sjoerd is mijn overbuurman, Brederodestraat drieënzestig-éénhoog, een zwaargebouwde veertiger die enkele jaren geleden aan de bouwsector is ontvallen vanwege rugklachten. Een goedig en sympathiek mens, maar bij het uitspinnen van anekdotes ronduit langdradig.
     “Jajaja. En toen?' vroeg tante Bets. Ze is zijn vrouw en
dat van dat langdradige, dat vindt zij ook.
      Het verhaal passeerde de portier en de al genoemde re- ceptioniste om vervolgens te verwijlen bij de administra- teur van het ziekenhuis.
      “We hebben zeker een half uur bij die vent zitten praten over verzekeringen en abo... eh... nominale premies en suppel... eh. .. suppletiepakketten en aanvullende ziekte- kosten en...' Na al die lange woorden moest ome Sjoerd even de draad terugzoeken. “Ik werd langzaamaan steeds kwaaier dat ze het helemaal niet over Jaap z”n ziekte had- den. Heb ik ook gezegd.'
      “Even wat sneller,' zei tante Bets.
      “Hij bleef vriendelijk, best aardige man trouwens, en hij zegt: “We moeten meneer zijn verzekeringssituatie toch doorlichten?” Ik zeg: “Je moet zijn verzekeringen niet doorlichten, je moet hém doorlichtenl” Zo.”
      In afwachting van bijval voor deze adremheid had ome Sjoerd een pauze ingelast, maar Kitty was er inmiddels ook bij gekomen en die wist hem met een “En toen? En toen?” weer op gang te krijgen. Kitty is de dochter van ome Sjoerd en tante Bets. Ze heeft met haar ouders gemeen dat ze niet op d'r mond gevallen is, maar daar houden de overeen-komsten op. Kitty is zestien, net zo rank als haar ouders grofgebouwd en bovendien doet ze aan punk: waar bij andere mensen een kapsel zit, heeft zij rechtopstaande sprieten in diverse kleuren. Ik mag dat wel.
     “Die man wou maar steeds dat Jaap naar beneden ging. “Om uw verzekeringen bij te spijkeren,” zei hij. In die hal beneden is een soort van markt, voor verzekeringen en geld lenen. Keiharde buzzines. Volgens die man moest je eigenlijk per se aanvullend verzekerd zijn... Maar Jaap verdomde het.'
      Het leek ons dat ome Sjoerd met die geldmarkt aan het overdrijven was geslagen, maar voor de rest zagen we het probleem. Evenals het merendeel van deze straat leeft Gijssers van de steun en dan kun je je natuurlijk geen extra verzekeringspremies veroorloven.
      “Uiteindelijk moesten we het zelf maar weten en werden we naar boven gebracht, naar een achenebbisj zaaltje en daar wezen ze hem een bed. Een kaal bed.'
     Gaande de vertelling was ome Sjoerds ontdaanheid teruggekeerd en hij eindigde bitter: “Voor lakens of slopen moet je ook extra verzekerd zijn.'
     “Tsss,' deed tante Bets. Ze zag het beeld van Gijssers op dat kale bed helemaal voor zich. Alleen Kitty bleef praktisch. “Beddegoed kunnen we uit zijn huis ophalen en naar hem toebrengen] suggereerde ze. Haar familie was unaniem voor.
    “Maar wel even snel,' zei tante Bets, “dat we voor etens- tijd terug zijn.'
     Ik verkeerde in dubio of ik mee zou gaan. Normaal ben ik er graag bij wanneer de straat op pad gaat, maar mijn Jacky stond op springen. Letterlijk. En al een tijdje: onze eerstgeborene leek er niet zo'n zin in te hebben. Hij/zij was bijna twee weken over tijd en later op de dag dienden we ons voor nog een extra controle bij de vroedvrouw te vervoegen.
    Dus ik ging boven even vragen.
    “Ga maar,' zei Jacky. “Kan ik een uurtje slapen.'
     Toen ik weer beneden kwam, bleken we de woning van Gijssers niet in te kunnen. “Had dan ook de sleutel meege- vraagd, zulthoofd,° verweet tante Bets haar man. Kitty redde ome Sjoerd door te veronderstellen dat de neef van Gijssers wel een sleutel zou hebben.
      Dat neefje - jong nog, voor in de twintig - bewoont sinds enige tijd op nummer vijfentachtig een woning van dezelfde huisjesmelker die ook ons stukje straat in bezit heeft. Jaap Gijssers mag die eigenaar niet en heeft - op een ochtend toen wij als straat net de andere kant op keken - de woning voor zijn familielid gekraakt. Toen de huisbaas daartegen protest wou aantekenen, liepen we juist toevallig voor die deur allemaal dubbeltjes te zoeken. Sindsdien resideert de neef van Gijssers op nummer vijfentachtig.
    Hij was thuis. Blijkbaar was de familieband niet zo heel hecht, want hij wist niet eens dat zijn oom in het ziekenhuis lag.
    “Dan ga je toch even mee,' suggereerde tante Bets, toen hij met de reservesleutel kwam aandragen.
     “Een ziekenhuis? aarzelde de jongeman. “Nou, ik -°
     “Natuurlijk ga je mee. Je eigenste ooml' In het begrip- penkader van tante Bets komt de noemer “zwakke familie- banden' niet voor. Het neefje had er nog steeds geen zin in, maar om tante Bets te weerstaan moet je beschikken over een heleboel k-a-r-a-k-t-e-r en dat scheen onvoldoende voorradig.
      Zodat hij met ome Sjoerd, tante Bets, Kitty, mij en een grote tas lakens en verschoning begon aan wat een nogal bewerkelijke tramreis naar het ziekenhuis bleek. Ze zijn zeker bang voor te veel aanloop, want ze bouwen die dingen tegenwoordig helemaal buiten de stad.






“Dat waren vroeger toch de Zustertjes van Goede Werken?" mompelde tante Bets terwijl ze het bord boven de ingang bestudeerde. “Besloten Vennootschap Zusters Diakonessen' stond daar in kloeke letters en eronder, kleiner, “werkmaatschappij van De Barmhartige Samaritaan Holding Groep”.
     Ik legde mijn straatgenoten uit wat nieuwe zakelijkheid inhield en waarom die was ingevoerd. Voor zover ik daar zelf ene moer van begreep. Daarna traden we binnen, maar hielden meteen weer halt toen we in de voorhal kwamen.
      'Nou moe.. .' sprak tante Bets geschrokken.
      “Dat zei ik toch,' haalde ome Sjoerd zijn gelijk. Hij had niet overdreven. Langs alle wanden stonden kraampjes van waaruit een levendige kleinhandel gevoerd werd. We liepen op een stalletje af. “Persoonlij ke leningen” stond op het bord en uit het klaarliggende foldermateriaal begrepen we dat patiënten die meer wilden dan de fondsbehandeling zich de kosten voor diverse ingrepen konden laten voorschieten.
     “Maar als je nu doodziek binnengedragen wordt', vroeg tante Bets zich hardop af, “en je geeft tijdens de behande- ling de geest?"
      De geldschieter las ons een clausule voor waaruit bleek dat in dat geval de nabestaanden ervoor opdraaiden. Hij stond erop dat we allemaal een folder meenamen, dat we aandacht besteedden aan zijn “soepele afbetalings- voorwaarden' en dat we duchtig moesten nadenken of onze “opgenomen familie' niet 'offers waard was' om een 'opti- male behandeling te waarborgen'.
     Overdonderd liepen we richting trappehuis. Daarbij passeerden we de andere wand, waar kraampjes werden bestierd door met elkaar concurrerende zorgverzekeraars. Hier richtte men zich op de gezonde of weer gezond gemaakte mensen en ging het erom, legde een toegesnelde vertegenwoordiger ons uit, bij wie de basisverzekering het goedkoopst was en wie het beste aanvullende pakket leverde. Dat was hij dus, moesten we begrijpen. Een volgende voorraad vouwbladen werd ons in handen gestopt.
    “Ik eh...,° aarzelde ome Sjoerd, “ik weet niet precies waarom, maar ik word hier een beetje beroerd van.'
     “Met een goede verzekering kan u niets gebeuren,” sprak de vertegenwoordiger monter. Tante Bets vond het ook eng. Ze duwde haar man naar het trappehuis ten teken dat hij moest voorgaan.






“Hier was 't. Weet ik zeker,' zei ome Sjoerd.
       “Mag ik hopen,' kankerde zijn vrouw. “We lopen al een half uur door dat ziekenhuis te sjouwen.”
      “Trap-op trap-af, gang-in gang-uit,° vatte Kitty samen.
      “Ik ben helemaal buiten adem,° hijgde de neef van Gijs-
sers.
     Ome Sjoerd ging zich verontschuldigen. “Al die gangen lijken op elkaar,° zei hij. “Maar dit hier herken ik. Aan dat bord.”
     Hij wees naar een grote reclameplaat. Een jongedame betoogde in vier kleuren dat je het onderstaande genees- middel moest aanschaffen, want daar scheen je ontzettend oud van te kunnen worden.
      “Zo,' zei ome Sjoerd, de zaal binnenstappend. Er ston- den acht bedden, allemaal bezet. Op alle bedden lagen mannen van middelbare leeftijd te dommelen. Qua leeftijd had Gijssers er dus best tussen kunnen liggen. Alleen zag ik hem niet. De anderen evenmin, maar ome Sjoerd nam het zekere voor het onzekere. “JA-AP,” riep hij.
      Ze schrokken zich wezenloos.
      Veerden overeind, maakten trapbewegingen, zwaai-
den met hun armen, eentje kieperde bijna zijn bed uit.
     “Sorry,' zei ome Sjoerd.
     “Schrik me lam,' hijgde een patiënt.
      De anderen zaten diep te zuchten of hadden de handen voor de borst gedrukt. Degene die bij na uit zijn bed geval- len was, trok nu de lakens van zich af, stapte op de grond en kwam in pyjama voor ons staan. Het was een klein dik- kig mannetje met een rood aangelopen hoofd en hij was zichtbaar kwaad op ons. “Zijn jullie helemaal gek gewor- den? Dacht je dat we voor onze lol aan het rusten waren? We liggen hier voor ons hart, ja?”
      “Sorry,' herhaalde ome Sjoerd.
    “Dit is ons slaapuurtje, ja? Daar begin je niet ineens keihard doorheen te toeteren, nee?°
       “Rustig maar, rustig,' mompelden we. Als iemand over zijn hart begint, word je daar altijd heel voorzichtig van.
       “We liggen hier niet voor niks, ja? We hadden er wel in kunnen blijven.'
       Windt u zich vooral niet op, gebaarden we. Het was echt niet zo bedoeld. Een van de inmiddels uitgehijgde patiënten had dat ook in de gaten en probeerde ons verder te helpen. “Waar moeten jullie zijn?' vroeg hij. “Nieren, longen, darmen, gal, lever??”
       “Eh. .. longen,° dacht Kitty.
      “Twee deuren verder,° wees de man. “Zaal 503.'
     “Ik geloof', sprak het neefje van Gijssers achter ons, “dat ik het ook aan mijn hart heb.” We keken hem verbaasd aan. Zo”n jonge vent?
     De roodaangelopen pyjama gaf ons geen kans hierop door te gaan en barstte alweer los. “Gaan jullie nou nog weg, ja? Of blijven jullie hier staan emmeren tot er dooien vallen?°
     We gaan al, we gaan al. We wilden niets op ons geweten hebben. Kitty trok neef mee, die keek of hij last had van duizelingen.






Hier zaten we goed. Net zo'n zaal, maar links vooraan zat Gijssers, armen over elkaar geslagen, helemaal gekleed, chagrijnige uitdrukking op zijn smoel, boven op een bed.
     “We kwamen gezellig op bezoek, gezellig,° probeerde tante Bets sfeer te scheppen.
     Het was aan Gijssers niet besteed. “Grumpf,' deed hij.
      “Spulletjes brengen,° zei ome Sjoerd die de tas met schoon goed op het bed zette. Daar had Gijssers meer waardering voor. “Ook lakens?' vroeg hij.
      Ome Sjoerd maakte de tas open en toonde lakens, pyja- ma, lange onderbroeken, ochtendjas, pantoffels en diverse versnaperingen.
     “Mooi zo,' bromde Gijssers. 'Ik had gedacht “dat krijg ik wel” , maar ik had beter moeten weten.'
     “En wat' - tante Bets had zich het opgewekte toontje aangemeten dat ziekenbezoek zich altijd aanmeet - 'wat zei de dokter?'
      'Welke dokter?" was Gijssers” tegenvraag. “Ik heb één zuster gezien. Die zei dat ik stil op bed moest gaan liggen en me niet verroeren. Ik moest vooral veel rusten, zei ze. Daarna heb ik niemand meer gezien.”
      “O,' zei tante Bets.
      Kitty had inmiddels de zaal bestudeerd. “Het ziet er hier niet uit,' meldde ze. We keken ook rond en moesten haar gelijk geven. Het gebouw kon hooguit vijftien jaar oud zijn, maar sinds de bouw was er niets meer aan gebeurd. Bladders verf en oud stucwerk hingen langs de muren, over het plafond liepen stukken buis van wat zo te zien een voormalig waterleidingsysteem was, de nachtkastjes zagen eruit of ze bij het grofvuil vandaan kwamen en die metalen bedden zou je je ergste vijand niet gunnen.
     “Verlopen zooitje,' erkende Gijssers, maar op dat mo- ment vroeg zijn neef om aandacht.
      “M'n hart bonkt zo ,' jammerde de jongeman. “Ik leg het af, ik moet liggen.'
     Verwonderd keken we toe hoe hij, met beide handen tegen de borst geklemd, naar een onbezet bed wankelde en zich zuchtend op de matras uitstrekte. Wat hadden we nu aan onze broek hangen.. .?
     “Waarom hebben jullie dat geval meegenomen? vroeg Gijssers.
      Nou ja, het was zíjn familie en we hadden gedacht...
     “Dat is een rampgebied,° benoemde Gijssers zijn neef. “Ik ben ettelijke keren met hem naar de dokter geweest en die zei dat ze dat een hypochonder noemen.'
      “Hypo. .. hypo...?' vroeg ome Sjoerd.
      “Ingebeelde zieke,” leverde Gijssers de vertaling. “Je moet nooit over een kwaaltje of een ziekte beginnen waar die bij is, want dan krijgt-ie het. Als er een stuk in de krant staat over maagzweren begint hij over zijn buik te wrijven, komt er iemand aan de deur met een inzameling voor het reumafonds dan krijgt die z'n vingers niet meer recht, laat niemand in zijn omgeving een woord als “beroerte” of “toeval” in de mond nemen... En zo gaat dat de hele dag door. Een ziekenhuisserie op tv is bijna dodelijk en zelfs de aankondiging van het nieuws voor doven kan hij niet hebben.'
     Het gespreksonderwerp lag zwaar te ademen.
     “Dus echt het allerlaatste wat je met zo°n type moet doen,' besloot Gijssers, “is hem meenemen naar een zie- kenhuis. Jullie zijn zeker net bij Harten geweest?'
      We knikten.
     Gijssers haalde zijn schouders op. “Laat maar een tijdje liggen. Dat doet die vaker. Hebben jullie trouwens ook shag meegenomen?
      Uiteraard. Daarvoor kwam hij zijn bed af. Nauwelijks echter had Gij ssers zijn shagje dichtgelikt of de patiënt in het tegenoverliggende bed roerde zich: “Je mag hier niet roken?
    “O. ..?° De hand met de aansteker bleef halverwege Gijssers' mond hangen.
      “Want het is fataal voor je gezondheid.”
      “Eh...”
      “Maar als je mij er ook een geeft, zal ik je niet verlinken.'
     Gijssers reikte de shagbuil aan, die de patiënt met een laconiek “Zalleme nog eens een nagel in me doodskist slaan' aanvaardde.
      “Ik ga wel op de gang,' beloofde onze straatgenoot.
      “Mag ook niet,° zei de man.
      Pas toen hij uitgedraaid was, verklaarde hij: “Beneden is een recreatieruimte voor de lopende patiënten. Alleen daar mag gerookt worden. Verder nergens. Dat zijn de regels. Dáár.” Hij had naar de deur gewezen en op de ach- terkant daarvan troffen we een lijst met “huisregels” aan. We stonden die te bekijken, toen neefje zich weer meldde. “Jullie moeten niet roken,° klaagde hij bij voorbaat. “Ik krijg het benauwd van sigaretterook.'
     Hij had zich voor niks zorgen gemaakt. De overbuurman van Gijssers was naar het raam gelopen, had dat een stukje opengewipt en hing nu met zijn bovenlijf grotendeels naar buiten te roken. Blijkbaar had de zaal ervaring met illegaal tabaksgebruik.
      Gijssers paste zich aan en ging ernaast hangen.
      “Het tocht hier,° piepte neefje. Niemand vond het nodig te reageren.
      Tante Bets stond met de meegebrachte attributen het bed op te maken. Terwijl ze lakens instopte, informeerde ze bij Gijssers: “Heb je ook niks gekregen? Koffie, thee, kopje bouillon. ..?”
      Gijssers blies rook naar buiten, moest daarvan hoesten en schudde al hoestend van “nee°.
      “Dan moet je zo'n verpleegster vragen,' vond tante Bets, die net op dat moment een witte flits in de gang meende te zien. “Zust-,° riep ze, maar de flits was al weer weg.
      “Krij-ijgen, mevrouw.. .” Een langzaam - om niet te zeg- gen lijzig - pratende longlijder in een bed aan de raamkant gaf tante Bets uitsluitsel. °Krijgen is van vroeger. In de recreatieruimte staat een automaat waar je thee, koffie en fris kan ko-open.'
     Tante Bets klopte een hoofdkussen in de sloop en com- mandeerde haar dochter: “Ga jij voor iedereen wat uit die automaat halen. En kijk gelijk of er vanavond iets te bele- ven valt. Ze zullen toch wel een bingo of kaarten organise- ren voor mensen die hele dagen op bed liggen te liggen. . .'
      Ome Sjoerd had zijn portemonnaie uit de kontzak ge- trokken en ik paste bij. We hebben het zelf niet breed, maar we zijn tenminste gezond en een bescheiden donatie was hier op haar plaats.
     Toen Kitty bestellingen had opgenomen en was ver- trokken, ging ome Sjoerd het stucwerk met bouwvakoog beschouwen. “Ze kunnen mensen toch niet zo in de ouwe troep laten liggen?° oordeelde hij. “Ik ga -'
      Wat hij ging bleef onduidelijk, want zijn vrouw zette hem aan het werk. “Ik wou de rest van het goed opbergen, maar dat kastje klemt. Doe d°r even wat aan.'
     Ome Sjoerd ging d°r even wat aan doen. Eerst door peinzend naar het kastje te kijken, daarna door de greep te pakken en er hard aan te rukken.
      “Gnnnnn,' zei hij daarbij.
      “Dat heb ik ook gehad,” meldde Gijssers° overbuur- man. Hij was naar bed teruggekeerd en lag de verrichtingen geďnteresseerd te volgen. “Uiteindelijk ben ik boven op bed gaan staan en heb het naar beneden gegooid. Toen sprong het open.'
     Ome Sjoerd meende zo'n drastisch optreden niet nodig te hebben. Normaal hoeft hij maar naar iets te kijken om het spontaan uiteen te doen vallen. Dit hengsel echter wei- gerde medewerking. Na vruchteloos getrek draaide ome Sjoerd het kastje om, ontdekte een opening aan de achterkant, kroop daar zo”n beetje half in en probeerde het deurtje van binnenuit open te duwen.
     Tante Bets was naar de deur gelopen om te kijken waar haar dochter bleef en zag een verpleegkundige naderen.
   “Aah, zuster,' zei ze, “zou u missch-' Ze zweeg verbouwe- reerd. De verpleegster had kort haar kant opgekeken, met een verontschuldigend handgebaar verklaard “Even geen tijd', en was gewoon doorgestekkerd.
      “Nou moe,” zei tante Bets.
      Gijssers scheen iets dergelijks vandaag al eerder erva- ren te hebben. “De zusters,' commentarieerde hij vanaf het raam, “de zusters vliegen laag van *t jaar.”
    “Héé ! ” Tante Bets' verbazing was omgeslagen in ver- bolgenheid. “Hé! Hier komen!' riep ze naar de rug van de zuster. “Hierrr!'
     “Boink-Boink-Boink.' Ome Sjoerd probeerde het nu met slagen van de vlakke hand. Het was voldoende om twee deuren verder het al eerder gesignaleerde dikkerdje naar buiten te doen sprinten.
      “Is het hier kermis?” gilde hij.
      “O,' zei tante Bets. “Pardon.°
     Ome Sjoerd staakte prompt zijn aanvallen op het kastje.
     “Willen jullie me een infarct aandoen, ja?° Hij was pur- perrood aangelopen en we maakten ons alweer oprechte zorgen.
     “Ssst,° suste tante Bets. “Rustig nou.'
     “Kan het dan stil zijn? Ik lig hier voor m'n hart, jal'
     “We zullen zachtjes doen,” beloofde tante Bets.
     “Ik zal ophouden,' zegde ook ome Sjoerd toe.
     “Da°s je geraaien," bromde de man. Hij dacht na of hij nog meer te berde wou brengen, maar Kitty stond achter hem met een blad vol kartonnen bekertjes. “Mag ik er even langs?' vroeg ze en hij besloot naar zijn zaal terug te keren.
     “Ik eh... ,' begon ome Sjoerd tegen Gijssers, “ik eh... leg die spullen wel boven op het kastje.” Onze opgenomen straatgenoot knikte dat dat goed was.
      Toen Kitty alle patiënten voorzien had, bracht ze een trieste mededeling: “Er is niks te doen. Er staat alleen een oude televisie in die recreatieruimte. Zwart-wit tv. Nou ja..., eigenlijk grijs-grijs. Er schijnt ook een grootbeeld flatvision kleurenbak met teletekst te zijn, maar die staat in de klasse-recreatiezaal en daarvoor moet je een pasje hebben.'
     Te midden van die triestigheid was er - aan haar glim- lach te zien - ook iets amusants en dat ging ze vertellen. “Er hing een briefje op het mededelingenbord dat het gratis concert voor de zieken niet doorging. ..'
     Ze pauzeerde, want nu kwam wat ze lollig vond: “... we-
gens ziekte van de dirigent.'
     Gijssers keek niet of hij daar de grap van inzag.
     Het werd onderhand tijd mijn vertrek aan te kondigen. “Ik moet straks met Jacky naar de vroed,' legde ik uit. Ik zou niet alleen hoeven te reizen. Tante Bets begon over de warme maaltijd, ome Sjoerd ging heel hongerig kijken en Gijssers deed geen pogingen ons tegen te houden, ook al omdat hij overvallen was door een volgende hoestbui.
     Kitty was op het neefje afgestapt. 'We gaan weg hoor.'
     “Ik kanniet. Ik kanniet,” kermde het jongmens.
     Kitty is niet voor één gat te vangen. “D”r hangen in zo'n ziekenhuis allemaal bacteriën in de lucht,° meldde ze. “Daar word je doodziek van.' Toen wou hij wel.
     In de deuropening bleef tante Bets dralen om Gijssers namens ons allen een belofte te doen.
     “We komen weer,' zei ze.