TRANSCRIPTIE van een brief van Etta uit Woerden, alleen gedateerd 19 april, maar lijkt zo sterk op die van 11 april dat het 19 april 1796 moet zijn, uit NL-HaNa 3.02.04 invnr 123


Deze brief komt wel erg snel na die van 11 april 1796, want de geadresseerden hebben nauwelijks tijd gehad op die eerste brief te reageren. Blijkbaar is ze na een periode van ziekte extra actief.

Hieronder een transcriptie, waarbij ik enige interpuntie, regeleindes en interlinies heb toegevoegd. Wat in de brief onderstreept was heb ik vet gemaakt. De in de brief genoemde Bernardin de St Pierre is een Frans botanist, voluit Jacques Henri Bernardin de Saint-Pierre.


Transcriptie

Woerden den 19 april

Burger Representanten van 't volk van Holland

Tot nog toe niet vereerd met antwoordt op de memori die ik de eer gehad hebbe, den 11 dezer an het commité te adresseeren, zo vreze dat mijn so regtvaardige bede geen ingang bij de Representanten heeft gevonden, omdat mijne vervolgers reeds hun oordeel voor ingenoomen hebben, met mij als een gevaarlijk schepsel voor mijn vaderland na haar gewoonte uit te schilderen.

Ah Burgers Representanten, de ondeugden volgen zig trapswijze, zig de hand leenende, gelijk de Gorgonen zig hun vergiftig oog leenden; men wordt in een oogeblijk geen kwaadtdoender of verrader als men 30 jaaren alleen in de weereldt omzwervende nooit eenige laagheidt of malversatie heeft gepleegd, nooit haat, nijt of wraakzugt gekoesterd, altoos de waare deugt van de schaduwen te hebben onderscheiden, en zoo veel in mijn vermogen was de protectie an mijn verleend voor ongelukkigen geemployeert, er moeten nog blijken van onder mijne papieren berusten.

Indien het in ons Vaaderland een crime is voor een vrouw een mannelijk caracter te bezitten, die van mijn geliefde crime, is an de natuur en waarom dog zulks niet te gedogen, die zwakke vergoeding voor zoo veel vrouwtjes die daagelijks onder een mannelijk gelaat verschijnen, ah, die zoo geliefde crime is mijn enig geluk en ondersteuning in de onderdrukking waaronder ik zeedert bijna een jaar zugte; en mijn akelijge eenzaamheidt de lessen van Seneca op te volgen. Ja Burgers Representanten, ik beken dat zoo veel t in mijn

(vel 2)

vermogen is ik daagelijks an wende om mijn verstant te cultreeveren om zoo mogelijk in mijnen naderende ouderdom er nog gezonde vrugten van te plukken, geen hulp of troost van anderen te wagten hebbende, nog zoekende, had ik gezorg mijn leeven van 't nodige en angenaame te voorzien, zonder mijn te bemoeijen met een magazin van voorraadt voor mijn erfgenaamen te vergaaderen, nimmer heb ik in den tempel van Plutus gesacrifieert, nimmer heeft dat brillante uitbraaksel der aarde waar door Pitt zoo veel ongelukkige menschen verleidt iets op mijn gemoet kunnen verwinnen dat teegen mijn conscientsi, eer of waare deugt strijdig was.

Daarom durf ik met grootmoedigheidt mijne vijanden onder de oogen zien, en zeeker geen gering voordeel in onze eeuw zig daar op te kunnen beroemen vooral in de situatsi waarin ik mij bevonden hebbe.

Vergeeft mij, Burgers Representanten, u zoo lang van mij te onderhouden, gelieft te denken dat ik geen sterveling hebbe om u mijne belangens voortedraagen, en u ten eenemaal onbekent zijnde afteweeren dat die veninige insecten die mijn vervolgen uwe regtvaardigheid niet afwenden en door hun gefluit van Vaaderlandt en Vrijheidtsliefde (die zij niet kennen) an hunne persooneele haat zoeken te voldoen.

Burgers Representanten, indien er voor mij nog geen regt is, en ik in dit voor mijn zoo akelig verblijf nog eenige tijd moet vertoeven, laat ik dan ten minsten eenige verzagting in mijne ballingschap van u verwerven, het Comité van Waakzaamheid heeft niet gedoogt dat ik door jemant mishandelt wierd, ik vertrouw, de zelfde justici van u te verkrijgen, en gelieft te voorzien

(vel 3)

in de verneederende behandeling waar onder ik zeedert twe maanden zugt, alzoo den cipier mijn anziet als een gevaarlijke toeziender op sijne conduite, laage zielen; ik ben immers niet hier gesteld om te spioneeren, indien gij niets doet, teegen u pligt wat hoeft gij te vreezen, ik réeclameer alleen teegen de ordres van mijn als een crimineel te behandelen en optesluiten, een vrouw die geen vrinden of correspondenten in de wereld heeft dan eenige lieden in 't gouvernement der fransche republicq zijnde en met wiens voorkennis zij de vertrouwde commissie van 't frans gouvernement heeft angenoomen, een vrouw wiens naaste bloedverwant lid van de Nationale Vergaadering van Neerlands volk is (*), een vrouw van kinds af met Republicaanse sentimenten bezield, door de franse Natsi met Burgerkroonen vereerd, dat die als een quaadt doender wordt opgeslooten, daar lui wiens naaste verwanten an vreemde zelf vijandelijke hoven zijn, vrijheidt hebben uit en in hunne kaamers gaan en geheele familie dagelijks ontfangen, zulk is voor mijn onbegrijpelijk?

Mijn versoek is niet de andere arrestanten van de vrijheid hun vergundt te berooven, nog minder om hunne gezelschappen bijtewoonen o neen;

maar dat mij vergund word te mogen wandelen met Locke en Bernardin de St Pierre, en de grootheid van den Schepper uit de Natuur te leeren;

en mijn gepermiteerd die hoek van de borstweering agter het huis afgeschut van de rest en van niemand gebruikt, om daar te mogen wandelen wanneer het weer t toelaat. En het Committé erin gelieve te accordeeren het gebruik van een cabinetje naar mijn kaamer

onderaan de pagina: (*) A.J. De Sitter

(vel 4)

en door niemant gebruik, om eene gezondere lugt te ademen alzo de garderobe van de soldatenwagt onder mijne vensters mijn deerlijk infecteerd.

Burgers Representanten, in de gepasseerde maand augustus heeft het Committé van Waakzaamheidt mijn een brief van de Representant Renaud uit Paris, met voorkennis van het Committé van algemeen welzijn aldaar geschreeven, toegesonden, en gepermiteerd dien Representent een procuratie te mogen zenden met belofte mijn zijn correspondentsi toe te zenden dog de brieven voor mijn aan 't Bureau geadresseert zijn mijn niet ter hand gesteld, hoewel een der leeden van t committé zelfs geavouéerd heeft dat er brieven waaren

Smeeke met instantsi die brievem mij mogen worden ter hand gesteldt als ook de geaccepteerde wissel van hondertsesendertig gulden die zig in mijn portefeuille bevond, toen mijn persoon en papieren door t committé van Waakzaamheid in bewaaring zijn genoomen, t is onnoodig er bij te voegen dat iemant zeedert bijna een jaar van alle zijn eigendom verstooken dat geldt hoognodig heeft;

Indien t mij gepermiteerd was Burgers Representanten te moogen voorstellen commissarissen te zenden en inspectie van dit huis te neemen en mijn te gelaaten met hun in vrijheidt te moogen spreeken zonder dat den cipier weer als voorens zulks belet, daar hij denk zeeker reeden toe te hebben dog tevergeefs; ik denk zulks niet ten overvloedt zoude sijn, maar nuttig, voor den 1 mey alst zijn kan.

Ben met schuldig agting
Burgers Representanten
Uwe onderdrukte medeburgeresse
wed: Palm geb d'Aelders

PS Pardon pour les fautes de stijl et lange


Je bent hier: OpeningBronnenNL-HaNaTg 3.02.04 → brief 19-04-1796