GEDEELTELIJKE TRANSCRIPTIE van het rapport, gedateerd 15 augustus 1796, van een commissie die de gevangenis in Woerden heeft bezocht, uit NL-HaNa 3.02.02 invnr 426


Het eerste gedeelte, tot en met 'Bataafsche vrijheid' is voorgedrukt. Contenance betekent houding. Waarom men spreekt van P: L: van de Spiegel terwijl hij Laurens Pieter heet, snap ik niet.

EXTRACT van het REGISTER der Resolutien van het Provinciaal Committé van Holland, genomen op

Den 15e Augustus 1796

Het tweede jaar der Bataafsche vrijheid

De leeden Brouwer en van der Kun doen rapport van hunne ingevolge besluit van dit Committé volbragte Commissie ter examinatie van het Kasteel te Woerden en de gesteldheid der Politieke gearresteerdens aldaar welk rapport hier navolgende is geinsereerd.

Vrijheid; Gelijkheid; Broederschap

Aan het Provintiaal Committé van Holland

Medeburgers!

Het behaagde deze Uwe Vergadering bij derzelver Decreet van 11 july ll de ondergetekendens te qualificeeren omme zig in persoon naar Woerden te begeeven en aldaar Inspectie te neemen van het Kasteel en de aldaar gehouden wordende directie, alsmede of de gevangenen daarin na behooren en conform den aart eener politicque gevangenis worden versorgd en behandeld, en verders of hetzelve in alles is voldoende en overeenstemmende met de gemaakte schikkingen diesweegens, en alsdan na bevinding te handelen.

Daar wij nu door de commissarissen uit uw departement van Algemeen Welzijn tot het opzicht over de gevangenen en door de van hunnentwegen aan ons ter hand gestelde brieven waren geinformeerd, dat deeze oculaire inspectie hoogst noodzakelijk was, zoo uit hoofde der veelerlij gerugten en klagten over den Castelijn van der Poll, als nog meerder om de aanhoudende schriftelijke berichten en veelvuldige klagten van den aldaar mede in politicque custodie zijnde Wed. Palm gebooren d'Aalders, zoo hebben wij geoordeeld, met alle omzichtigheid te moeten onderzoeken, wat er met eenige waarschijnlijkheid van deeze gerugten en klagten voor waarheid konde gehouden worden, en ten dien einde, zoo wel den Casteleijn, den bewaarder der gevangenen, Nieuwenhuijzen genaamd, als ook de gevangenen of gecustodieerde zelve ijder afzonderlijk te moeten hooren, en voorts van den Bailluw Costerus zodanige verdere informatie te moeten neemen, als wij zouden nodig oordeelen.

Wij hebben dan aan Uwen last op den 20 en 21 july ll voldaan en bij een allernauwkeurigst onderzoek bevonden

1o Dat wat het uiterlijke van het Kasteel betrof, hetzelve geenzins zodanig met behoorlijke attentie was naargegaan, dat het voor eene gevangenis gerustelijk konde gehouden worden, te meerder, daar er geen wacht voor off agter het kasteel te vinden was.

2o Dat wat de behandeling der aldaar bewaard wordende perzoonen betrof, dezelve genoegzaam voldoende was, doch dat derzelver uitrusting ganselijk onvoldoende, ja, de menschelijkheid oneer aandoende was, want al had men getragt de aard der gevangenis te verzwaaren, had het niet veel erger kunnen zijn. Bij voorbeeld
Aan P: L: van der Spiegel heeft men toegestaan zijne twee jongste kinderen ter opvoeding bij zig te hebben dog een derzelver moest in een kast derzelfs nachtrust genieten, uit hoofde van gebrek aan slaapplaats en beddegoed. Zowel van der Spiegel als Bentink zouden gebrek ijder aan een tafel hebben, zo men niet uit de caserne voor ijder een soldaatentafel gehaald had.
Het verdere naar evenredigheid.

3o Dat de klagten van de Wed: Palm geb: d'Aalders allezins zijn ongegrond en onreedelijk, occupeerende zij de beste kamer en wordende zelfs volgens getuijgenis van den Balluw Costerus, naar eevenreedigheid van haar gedrag met veel te veel toegeevendheid behandeld, Ja wanneer men haar daaglijksche gedrag beoordeelen zal uit haare gehoudene contenance teegens ons Uwe gecommiteerdens, dan waarlijk zoude het welligt noodzaaklijk worden voor de rust en goeden order aldaar haare gevangenis Uwe ondanks te verswaaren

4o Dat wat de Castelijn van der Poll en de bewaarder der gevangenen Nieuwenhuizen betreft, dezelve zig zoo verre wij hebben kunnen naargaan plichtmatig gedragen en voor zoo veel desnoods de zagtheid van den Castelijn van de Poll volkomen vergoed word door de oplettende nauwgezetheid en vigilantie van den oppasser Nieuwenhuizen, zijnde het ons daar te booven voorgekomen dat de huisvrouw van de Casteleijn van de Poll eene zeer vlijtige en oppassende huishoudster is.

Conform den verderen inhoud van Uwen last om naar bevinding te handelen hebben wij vermeend de volgende voorziening te moeten doen, als

omtrent het 1o punt
terstond order te geven, dat de plaatsen, welke welligt aanleiding tot ontvlugting zouden kunnen geven, van behoorlijke pallissaaden wierden voorzien, dat de gragt rondom het kasteel gezuiverd wierd van al wat daar in de overkomst zoude kunnen bevoordelijk zijn en in een woord die voorzorgen daar te stellen, welke ons volstrekt noodzaaklijk toescheenen; terwijl wij het departement van militaire zaaken hebben verzogt wederom voor de gewoone wagt te zorgen, waaraan ook reeds door hetzelve is voldaan, verwagtende, dat haare gegevene orders reeds zullen zijn geobserveerd.

omtrent het 2o punt
hebben wij de casteleijn gelast, eene nauwkeurige lijst op te maaken van al hetgeen in billijkheid aldaar behoorde te worden bezorgd, en vooralsnoch mankeerende was, en dezelve aan Uwe Commissarissen tot het opzicht over de gevangenen toetezenden, welke wij dan ook ontvangen hebben, en aan den inhoud conform Uwe aan ons gegeven last hebben voldaan, door met overleg van uwe Commissarissen over de goederen van de gewezen stadhouder van de meubelen op het huis  in 't bosch al datgeene te neemen, wat wij aldaar vinden konden, en de rest ten minsten prijze te doen bezorgen, van welk een en ander wij copien ten deze annexeeren te onzer verantwoording.

omtrent het 3o punt
Wij hebben naar in persoon mevrouw Palm gebooren d'Aalders serieuselijk te hebben gecorrigeerd en geinjungeerd, van zig voortaan stil en betaamelijk te hebben te gedragen, den Casteleijn gelast, om bij de minste ongeregeldheid van haarentwege, de vengsters van haar kamer zodanig te doen verseekeren, als nodig zal zijn, om haare verdere brutaliteijten voortekoomen, en van 't een en ander onverwijld aan Uwe Commissarissen tot de gevangenen kennis te geven.

Eindelijk omtrent het 4o punt
hebben wij vermeend, daarin volkomen konde voorzien worden, door zo aan den casteleijn als aan den bewaarder of oppasser, ampele Instructien te geven, waarom wij haare tegenswoordige Instructie hun hebben afgevraagd en dezelve naargegaan hebbende, daar uit twee nieuwe hebben geformeerd, welke wij hiernevens ter uwer approbatie overleggen, waardoor, zoo wij meenen, aan Uwe intentie meerder zal worden voldaan, & Uwe Commiss. voorn. minder onkundig zullen zijn van den toedragt der zaaken aldaar.

Van de bovengen. Schikkingen, welke wij aldaar onverwijld nodig oordeelden, hebben wij aan den Bailluw Costerus kennis gegeven, en zijn toeverzicht deswegens ernstig verzogt, 't welk hij ons ook heeft toegezegd.

Hiermede zouden wij meenen aan onze taak te hebben voldaan, zo wij niet verpligt waren, eenige verzoeken ter Uwer kennis te moeten brengen, zo van de aldaar gecustodieerde persoonen P.L. Van de Spiegel en Bentink van Rhoon, als van den castelijn van de Poll en den oppasser of bewaarder Nieuwenhuijzen, omtrent zommige van welke de informatien, welke wij zints ook aldaar hebben bekomen van eenig nut zouden kunnen zijn, en tot welke te geven wij ons volwaardig aanbieden.


Hierna volgen enkele verzoeken van de genoemde personen. Dan sluit het rapport en besluit het Provinciaal Comité het rapport in handen te stellen van de Commissie tot de Binnenlandse Correspondentie.

Bijgevoegd is een Instructie voor de castelijn en de oppasser en vier lijsten, te weten:
– een lijst wat er voor vd Spiegel, Bentink en de huishouding benodigd is. Daarop wordt al gemeld dat alles wat niet uit Huis in 't Bosch kan komen, door ene A. van Geyt geleverd zal worden.
– een lijst van spullen die Van Geyt levert
– een lijst van spullen die uit Huis in 't Bosch gehaald kunnen worden
– nog een lijst spullen die Van Geyt later, 4 september 1796, levert.


Je bent hier: OpeningBronnenNL-HaNaTg 3.02.02 → rapport 15-08-1796