VERTALING van en NOTITIES bij een brief dd 24 juli 1794 van Van de Spiegel aan Etta, gevoegd bij het tweede deel van het vierde verhoor door het comité van waakzaamheid op 26 november 1795, uit NL-HaNa 3.02.01 invnr 492

Deze brief van Van de Spiegel aan Etta is tussen haar spullen gevonden door het Comité van Waakzaamheid toen ze haar huis doorzochten.
De brief komt ter sprake bij het vierde verhoor door het comité. Dat verhoor is bereikbaar via deze pagina, maar de betreffende teksten staan ook hier.

In deze brief biedt de raadpensionaris wel aan haar vestiging te betalen, maar meldt hij nog niet dat dat BUITEN Den Haag moet zijn. Dat komt zijn secretaris pas een week later zeggen, blijkens Etta's reactie daarop dd 30 juli 1794, zie hier.

Hieronder achtereenvolgens:

■ De brief is in het Frans, maar hier alleen de vertaling, al staan daar nog stukjes Frans in,

■ een gedeelte van de brief is doorgehaald en niet meer te lezen, maar volgens het Comté van Waakzaamheid wordt dat gedeelte door Etta geciteerd in haar brief van oktober 1794, zie hier, en

■ de behandeling van de brief bij het vierde verhoor.


Vertaling

Madame!

Ik heb u al gezegd dat mijn ministerie niets gemeen heeft met de administratie van de criminele of civiele justitie, en dat ik geen enkel part heb gehad aan de arrestatie van de heer Audibert en confers, net als hun invrijheidstelling niet meer van mij afhangt. - het is buiten twijfel dat deze gevangenen de Wetten van het Land kunnen inroepen, in welk geval het mij lijkt dat als Engeland, op wier verzoek zij zijn opgepakt, hen helemaal niet opeist, de Gecomm. Raaden hen niet zullen vasthouden; maar alle brieven en alle dreigementen die de genoemde Audibert aan mij richt, zullen dat niet tot stand brengen. Il faut un exposé simple à ceux à qui il appartient de terminer cette affaire.

U oordeelt ook, Madame, dat het voor mij onmogelijk is om voor u een ontmoeting met deze personen tot stand te brengen, zij hebben mij ook om een gevraagd, en ik zou graag willen m'y poeter si cela pouvoit se faire fatsoenshalve, maar zij moeten begrijpen dat ik mij niet bij hun kan begeven in de gevangenis, zonder dat het publiek ervan op de hoogte komt, en dat men heel sterk dat bezoek zou kunnen draaien ten slechte voor mij; verder, als zij enige openingen aan mij maken, als ze het op schrift doen, momenteel zijn zij samen en ik begrijp dat het hun aan niets ontbreekt met uitzondering van de vrijheid.

Voor elk antwoord op wat u zegt over de mogelijkheid van vrede, vraag ik u te lezen wat Barrere over dat onderwerp op de achtste van deze maand heeft gezegd, hoe ver hij heeft verworpen elk idee van het beëindigen van een oorlog die hij blieft te noemen een 'guerre d'extermination'.

Als de Fransen slechts de erkenning van hun republiek hadden gewild, zouden ze dat zonder oorlog hebben verkregen, en verstandige mensen prefereren nog steeds die toestemming boven een oorlog zo vreselijk en dodelijk: het minste appreçu van hun kant gegeven zal de rust in Europa tot stand brengen.

Ik heb nooit een enkel woord met Br gesproken, ik ken hem zelfs niet als persoon, dus het is niet hem die mijn denken op dit punt beïnvloedt.

Wat betreft uw eigen zaken, ik vergeet u niet madame,

Dan volgt een doorgehaald stuk dat onleesbaar is, gevolgd door:

mais je doute que celui que vous me mandez reponde à ce buthierover.

J'ai le honneur d'etre,
Madame!
Votre très humble serviteur
Van de Spiegel

24 juillet


Weergave door het Comité van Waakzaamheid

Het doorgestreepte gedeelte wordt volgens de Decreten van de Provisionele Representanten van t Volk van Holland van 27 januari 1796 door Etta herhaald in haar brief van oktober 1794 en dan wordt in de Decreten de inhoud als volgt weergegeven:

Echter schynt het verschil tusschen deeze vrouwelyke Minister en den Raadpensionaris opgekomen als toen van geen langen duur te zyn geweest, want op den 24 July 1794 schreef den Raadpensionaris haar eigenhandig: “Indien gy het een of ander etablissement in 't oog hebt, zo zegt my hoe veel gy nodig hebt om het zelve op eene fatzoenlyke manier te beginnen.”


Bespreking bij het vierde verhoor

Art. 21
Aan haar gearrr. te exhibeeren eene missive door den Raadpensionaris van der Spiegel aan haar op den 24 juli des jaars 1794 geschreeven beginnende Madame je vous ai deja dit waarin eene uitgeschrapte periode welke egter geredresseert en gecopieerd is in het antwoord door haar gearr. op die zelve brief van october daaraan volgend geschreeven beginnende Monsr Tinne m'est venu dire de en op deze twee brieven een exhibitum door de secretaris te stellen en aan haar gearresteerde te vraagen of zij de eerste dier brieven niet ontvangen heeft.

Zegt ja.

Art. 22
Aan haar gearr te vragen of zij de tweede niet in antwoord geschreeven heeft.

Zegt ja, maar niet te weten of zij de brief zo afgezonden heeft als de copie daarinliggende.

Art. 23
Aan haar gearr te vraagen of zij dan nu niet moet bekennen dat van der Spiegel voor haar etablissement heeft willen zorgen, om haar voor gedaane diensten te beloonen.

Zegt dat bij haar aankomst haar door v.d.Spiegel gezegt dat haren liefde voor haar vaderland om gedurende de winter door 2 armëen te rijsen om de oorlog voor te koomen meriteerde, en dat indien de fransche haar zonder secours lieten zij alsdan kon spreeken dog dat zij het niet gedaan heeft.

Art. 24
Aan haar gearresteerde te vragen wanneer v.d. Spiegel aan haar die belofte gedaan heeft.

Zegt den eerste of tweede november 1792 toen zij met haare commissie van de fransche republic hier gekomen is.


Je bent hier: OpeningBronnenNL-HaNaTg 3.02.01invnr 492 → brief  24-07-1794