NOTITIES bij een kladje van een brief van Etta aan stadhouder Willem V 8 maart 1793, gevoegd bij het derde verhoor door het comité van waakzaamheid op 8 oktober 1795, uit NL-HaNa 3.02.01 invnr 492

Op 8 maart 1766 werd Willem V stadhouder in alle provincies. Etta schrijft wel vaker op 8 maart een felicitatiebrief aan de stadhouder. Hieronder gaat het over het kladje van een brief op 8 maart 1793, welk kladje door het Comité van Waakzaamheid is aangetroffen tussen haar spullen.

De brief komt ter sprake bij het derde verhoor en bij het eerste gedeelte van het vierde verhoor door het comité. Die verhoren zijn bereikbaar via deze pagina, maar de betreffende teksten staan ook hier onder.

In die verhoren verklaart ze de brief niet in het net te hebben overgeschreven en verzonden. Dat zal te maken hebben met de dan net ontstane oorlogssituatie met Frankrijk. Met haar opmerking over 'de zeven pijlen' doelt ze op het Nederlandse wapen waar de Nederlandse leeuw zeven pijlen vasthoudt die de zeven provinciën voorstellen.

Hieronder staan achtereenvolgens:

■ De (volgens mij redelijk correcte) weergave van de brief zoals die is voorgelezen in de vergadering van 27 januari 1796 van de Provisionele Representanten van 't Volk van Holland, zie hier voor de context,

■ de bespreking van de brief bij het derde verhoor en

■ de bespreking van de brief bij het vierde verhoor.


Weergave door het Comité van Waakzaamheid

Ontfang met Uwe natuurlyke goedheid de wenschen, welke ik vernieuwe op den gedenkwaardigen dag welke aan deeze Republicq een hooft gaf, naar de wensch van elken waaren Batavier, een hooft welke zyn wezentlyk geluk steld in de liefde des Volks, zyne Grootheid in den algemeenen voorspoed, zyne ambitie in de handhaving van de Vryheid en de Constitutie, waare bron van 't welzyn der Vereenigde Nederlanden, vaar voort te beminnen en bemind te worden, van die Natie, in welke gy zyt opgevoed, dat de Hemel U vergunne, die wysheid, die voorzigtigheid, die moed en dat vooruitzigt, welke in deeze critique ogenblikke, zo noodzakelyk zyn.

Dat deeze dag een nieuwe band te weeg brenge tusschen dit Volk en zyn Hooft. Waarom kan ik niet alle Bataven met my den eed zien hernieuwen, van hunne Vryheid en Constitutie te zullen verdedigen, of om te komen?

Dat de jonge Prinsen welke hun bloed gaan opofferen voor 't Vaderland de beloningen genieten welke hun Courage en de Regtvaardigheid van de zaak welke zy beschermen, verdienen. Dat zy wederkeeren overdekt met eer en lauwrieren!

Dat die bastaard Vaderlanders mogen uitgedelgd en vernietigd worden, die niet te vreden met die onheilen, die zy reeds berokkend hebben, op nieuws de ingewanden van hunnen Moeder komen verscheuren! Dat het Opperwezen op alle verraders vervloekingen uitstorte, onder welke gedaante zy zig ook vertoonen.


Bespreking bij het derde verhoor

Aan de gearresteerde zijnde voorgeleesen seekere billet beginnende 'recevez' zegt dat zij niet gelooft het selve te hebben afgesonden, doch dat de meeste sentimenten daar in doorstraalende, de gevoelens van haar hart zijn.
De gearresteerde vervolgens gepousseerd zijnde op de vraag in de artikel vervat, zegt dat de brief nooit is afgezonden.


Bespreking bij het vierde verhoor

Art. 5
Aan haar gearrest: te vragen hoe het voorgen. strookt met eenen zekeren brief op den 8 maart 93 door haar aan den geweze Stadhouder geschreeven beginnende Recevez en de sentimenten en wenschen, in voorn. brief voorkomende, waar van de minute aan haar bij het vorige verhoor is geexhibeert en voor haar schrift erkend geworden.

Zegt nimmer een revolutie zo als het nu is gewenscht te hebben, maar wel eene reformatie en zig dus van die uitdrukkingen wel te hebben kunnen gebruiken, zegt nader, dat zij eene reformatie en geene revolutie gewenscht heeft, dewijl dan de fronterien niet van de Engelschen souden geplundert geweest zijn, en dat dit land dan ook geen honderd milhoenen zoude betaald hebben, dewijl tans de seeven pijlen gebrooken waaren.


Je bent hier: OpeningBronnenNL-HaNaTg 3.02.01invnr 492 → brief 08-03-1793