NOTITIES bij een kladje van een brief van Etta aan stadhouder Willem V dd 7 januari 1793, gevoegd bij het derde verhoor door het comité van waakzaamheid op 8 oktober 1795, uit NL-HaNa 3.02.01 invnr 492


De brief zelf is niet teruggevonden, maar het kladje ervan is door het Comité van Waakzaamheid aangetroffen tussen Etta's spullen. De brief komt ter sprake bij het derde verhoor en bij het eerste gedeelte van het vierde verhoor door het comité. Die verhoren zijn bereikbaar via deze pagina, maar de betreffende teksten staan ook hier onder.

Achtereenvolgens staat hier:

■ de vertaling van het begin van de brief zoals die is voorgelezen in de vergadering van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland dd 27 januari 1796, zie hier voor de context;

■ de bespreking van de brief bij het derde verhoor;

■ de bespreking van de brief bij het vierde verhoor;

■ enkele notities over het lijdend voorwerp van de brief en over de in de brief genoemde kwestie.


Vertaling door het Comité van Waakzaamheid

Hoe ! zou het dan mogelyk zyn dat men een der afschuwelykste monsters in Den Haag dult, welke de Natuur immer heeft voortgebragt. De gezwooren vyand van U Vaderland, en U Huis, de infame Breteuil is, zegt men, in Den Haag.
Ach! zo ik het ongeluk had hem te ontmoeten, zou ik voor my zelve niet instaan.
Die man durft zich voor my beroemen, dat hy U yut de Republicq zou jagen, dien hy de onwaardigste bynaamen toevoegde, zo wel als aan Haare Koninglyke Hoogheid, Uwe deugdzame Egtgenote; -
die met behulp van Calonne zich heeft weeten meester te maaken van 66 millioenen, gelyk zy zelfs erkennen -
die door het Fransche bloed de Constitutie, en met haar het geluk van ons Vaderland wilde vernietigen -
die alle middelen in 't werk stelde om my in de Bastille te doen omkomen, wanneer hy te vergeefs had getragt my om te koopen, en ik my met alle magt verzette tegen zyne infame ontwerpen -
die getragt heeft in 1787 een Armée in Holland te brengen, door den eerste Minister de Aartsbisschop van Sens daar toe te doen overhaalen, door zyne Creaturen Champsenet en Brancas.
Ach myn Heer! myne ooren hebben het gehoord.
Ik was er by, maar om hunne schandelyke verbintenissen te verydelen.
Kortom ik maak my daar van geene verdiensten, ik bemin myn Vaderland en heb myn pligt gedaan, maar zal de Natie, zult gy zelf zulk Slang by U dulden?


Bespreking bij het derde verhoor

De gearresteerde zegt dat de missive beginnende `Quoi il seroit` door haar voor de geweesen Stadhouder is geschreeven, dat zij gearresteerde tot eenigen tijd voor het jaar 1787 Patriots is geweest, dog toen zij bespeurde dat de Aristocraten Holland aan Frankrijk wilden verkoopen, zij opgehouden heeft voor haar te werken, zoals zij voor deesen gedaan heeft, en dat de poliete uitdrukkingen in die brief voorkoomende geensints aantoonen dat zij voor het huis van Orange is geporteerd geweest maar dat zij in die tijd zodanig schijven moest.


Bespreking bij het vierde verhoor

Art. 2
Aan haar gearresteerde te vraagen, hoe zij dan immer kan geschreeven hebben zeekere nader aan haar te exhibeeren papier bij het vorige verhoor voor haar eigen schrift herkend, beginnende Quoi il serait possible, zijnde minuten van eenen brief voor den Stadhouder.

Zegt voor de patriotten gewerkt te hebben zo lang als zij niet wist dat de patriotten van die tijd, haar hoofden, verk?? waaren aan het fransche ministerie, maar toen de pruissische troepen in Holland waaren, den minister aartbisschop van Rens gebeeden te hebben om niet de franschen te stuuren opdat niet vader en zoon zig onderling vermoorden souden, opdat geen twee vreemde armee hier in 't vaderland zijn zouden, dog blijft ontkennen eene politique commissie van weegens het vorige gouvernement na 1787 in Frankrijk gehad te hebben.


Notities bij de brief

■ Het lijdend voorwerp is Louis Charles Auguste Le Tonnellier, baron de Breteuil (1730-1807). Na een carrière in de diplomatie werd hij 'ministre de la Maison du roi et de Paris' en die functie vervulde hij toen in 1787 de Pruisen in Nederland de stadhouder in zijn functie herstelden. Volgens Etta behoorde hij tot degenen die gewapenderhand wilden ingrijpen en heeft hij haar als tegenstandster van interventie getracht om te kopen en op te sluiten.

Zij verhaalt daarover bij diverse gelegenheden, onder andere:

● in een brief aan minister Lebrun dd 23 november 1792, zie hier,

● enkele dagen na haar bovenstaande brief als ze minister Lebrun op 11 januari 1793 meldt dat Breteuil uit Den Haag is vertrokken, zie hier,

● in een brief aan de stadhouder dd 30 juni 1794, zie hier,

● bij vraag 14 van het tweede verhoor op 13 juni 1795, zie hier,

● in een brief vanuit Woerden dd 11 april 1796, zie hier.

Zo'n honderd uur vóór de bestorming van de Bastille werd hij benoemd tot eerste minister. Na de revolutie vluchtte hij naar het buitenland, en probeerde hij andere landen over te halen om in te grijpen en de klok in Frankrijk terug te draaiene. Waarbij hij dus blijkbaar ook eventjes in Den Haag vertoeft.


Je bent hier: OpeningBronnenNL-HaNaTg 3.02.01invnr 492 → brief 07-01-1793