TRANSCRIPTIES van brieven van Wolter Reinold de Sitter, achterneef van Etta, na haar dood aan zijn moeder en zijn oom Albert Johan de Sitter, Groninger Archieven toegang 574 invnr 33

Deze brieven zijn vermoedelijk een gevolg van de advertentie in de kranten dat Etta's bezittingen onder sequestratie zijn en dat belangstellenden zich moeten melden. Wat in de brieven onderstreept is heb ik ook onderstreept. Verder heb ik wat interlinies toegevoegd.

De vermelding onderaan de eerste brief over ene Van der Woerd betreft volgens mij iets totaal anders, wat met Etta niets te maken heeft, maar ik zou niet weten wat.
Ik heb alleen van de derde brief de adressering gefotografeerd, en die luidt: 'Aan den Burger A: J: de Sitter, Boteringestraat te Groningen'.

Met H.E. in de derde brief bedoelt hij Haar Edele, dus zijn moeder. De in die brief genoemde Schimmelpenninck is volgens mij op dat moment ambassadeur in Parijs. Of de daarna vermelde schilderijen iets met Etta te maken hebben, weet ik niet, maar volgens mij is dat een hele andere zaak.


1) Brief van 18 april 1799 aan zijn moeder

Den Haag 18 april 1799

Ik ben bij Juffr. Gedet geweest, Waarde Moeder !, en dus in staat UED eenig berigt toetezenden.

De waarde van de erfenis van Mevr. Palm bestaat meest in pretenties, om welke voldaan te krijgen, vele reclames en bemoeiingen zullen gedaan moeten worden, doch die wanneer zij gerespecteerd worden, zekerlijk nog al eene aardige som belopen.

De eerste post is ter waarde van ƒ 18,000 -.- livres, die zij bij haar vertrek uit Parijs in assignaten (toentertijd nog van volle waarde) aan den Minister Clavieres heeft ter hand gesteld, als Directeur van eene Assurantie Compagnie sur la vie. (Clavieres is geguillotineerd en men zou zich dus bij zijne Erfgenamen moeten addrèsseren.

Aan den zelfde Minister Clavieres had zij eene Cassette met zilver te bewaren gegeven.

Doch die bij zijne arrestatie naar hare appartementen is gebragt, en waarschijnlijk met hare Meubels verkogt, welke niet tegenstaande de moeiten die zich de Representant Renaud heeft gegeven, zijn verkocht en hebben opgebracht over de ƒ 60,000 livres.

Welke men als zijnde zij niet geëmigreerd, gelijk uit hare papieren kan blijken, bij het Fransch Gouvernement zou kunnen reclameeren.

Vervolgens heeft zij 30.000 livres sur une première Hypotheque en Picardie op eenen Mr. De la Merville, waarvan het contract bij eenen Procureur te Parijs berust.

De meubels die in het Huis op de Denneweg zijn geweest zijn verkogt en dat geld is dus op.

Maar men zou nog reclames kunnen doen op de Maandgelden die haar toe komen voor haar Commission Legale in 1792 a 150 livres ‘s maands, waarvan slegts 3 maanden voldaan zijn.

Eindelijk zou volgens juffrouw Gedet, de prétentie ten lasten van Munniks ook wel valabel zijn, ten minsten Munniks scheen dezelve te respecteeren, daar hij twee malen een wissel van een grote ƒ 100-..-.. getrokken heeft, en naderhand nog eene van ƒ 238 doch die bij hare arrest op het Committé zoek is geraakt. Het contract berust onder Wiersma.

Uit dit alles ziet UED dat indien men zeker was van alles te zullen ontvangen de som nog al eenige moeite waard zoude zijn. De validiteit zal uit hare Papieren moeten blijken, van welke egter ook een aantal en wel van de importantste verloren is, in plaats van welke eene Nota der vermiste Papieren voorhanden is: - doch alle de gemiste Papieren zijn (volgens juffr. G.) bij het Committé en zouden dus misschien weer te krijgen wezen.

En geloof ik voor mij, dat ook de Prétenties in Frankrijk door het groot verloop van tijd misschien wel zullen verlopen zijn, wanneer het daar ten minsten toe gaat als hier.

Als UED in Den Haag komt en Juffr. Gedet spreken wil, zal zij zulks met zeer veel plaisir doen: Zij is zeer paraat om dienst te doen en bijzonder in de zaken van Mevr. P. georienteerd, doch er behoort bijna zo veel geduld toe, om haare discoursen aan te horen, als zij proneert gehad te hebben in hare omgang met Mevr. P.

Ik ben UED Gehoorz. Zoon,
Wolter Reinoud

VH gelooft niet dat het met de jonge van Van der Woerd gaan zal.


2) Brief van 20 april 1799 aan zijn moeder

Den Haag, 20 april 1799

Zeer Waarde Moeder. Ter voldoening ben ik gisteren bij ?? (onleesbaar) geweest, en heb hem de zaak verteld.

Hij was mede van gedagten dat het geen zaak was direct van de boel aftezien, en wat de onkosten van de beneficie van inventaris bedraagt, dagt hij dat deze ook minder zouden zijn om dat door de Sequesters waarschijnlijk reeds eene Inventaris gemaakt zal zijn, waarvan de kosten toch uit de boedel moeten betaald worden.

Hij begreep evenwel mede, dat de reclames te Parijs vele voeten in de aarde zouden hebben, en dat men daarom zich hier van de staat van de boedel diende te verzekeren.

De procureurs zouden ons, dagt hij, niet ligt het minste van hare schulden zeggen, maar hij zoude uit de Bas met wien hij reeds over Mevr. P. en haar gevonden interessante Papieren gesproken had, meer zien te krijgen, en geven Dingsdag of Woensdag berigt en raad.

Juffr. Gedet heeft mij verhaald dat mevrouw P. op haar doodsbed begeerd heeft, dat zij in de open lucht zou begraven worden, dat zij door meisjes zou gedragen, hare kist met een wit laken overdekt en haar graf met bloemen bestrooid worden en dat dit gedeeltelijk gebeurd is, zijnde haar (doorgestreept: lijk) kist met een bedlaken bedekt, s'morgens vroeg zes uur op een gemene kar naar Rijswijk gebracht alwaar bloemen op haar graf gestrooid zijn.

Ik geloof dat ik UED over de pretentie van Munniks in mijn laatste geschreven heb en ben nu UEDsGehoorz.Zoon Wolter Reinoud.


3) Brief van 11 mei 1799 aan oom Albert Johan

Leiden, 11 May ‘99

Hoog Geachte Oom!

Mama heeft mij verzogt aan UED te schrijven, dat wij zedert het laatste berigt wat ik UED heden voor 14 dagen uit Den Haag gezonden heb, niets naders omtrent de bewuste zaak vernomen hebben en dat H.E. zeer benieuwd is om UEDs gedagten en die van de overige leden der familie te vernemen, zedert de differente berigten door juffr. Gedet meegedeeld.

Gelijk het haar mede plaisir zoude doen eenige tijding wegens het antwoord van Schimmelpenninck te krijgen. -

In alles dient eenige spoed gemaakt te worden, vermits de beneficie van Inventaris binnen 6 weken moet gevraagd worden: welke tijd wel eenigszins maar toch niet al te lang kan gerekt worden.

Mevr. Palm is op Paasschen overleeden en wij zijn nu reeds Pinkster dat ik UED niet behoef te herinneren, zeven weken daarna te komen. -

De makelaar Jan ?? (onleesbaar) is hier geweest die de schilderijen wel kan afwagten : toch verzogt heeft indien dezelve nog niet afgezonden zijn dat zij geadresseerd mogen worden aan den Makelaar C.J.Roos in het Trippenhuis in Amsterdam.

Mama is zeer in de drukte geweest met verhuizen.

Mag ik mijne Comp. aan Tante en de familie verzoeken en die van Mama daarbij voegen en mij verder in UED Vriendschappelijk en gunstig aandenken recommanderen.

Ik ben met de verschuldigde gevoelens
UEDsGehoorz.Neef
Wolter Reinoud


Je bent hier: OpeningBronnenGrATg 574 → invnr 33